Gekir en gefrons in Davos

Eén keer was ik in Zwitserland. Ik was veertien jaar en het gebeurde op gesubsidieerde wijze, met de Christelijke Mutualiteit. Ik herinner mij tien dagen regen, een grote muur tussen de jongens- en de meisjesafdeling, en geen Heidi om mee thuis te komen, maar een lat Toblerone en een plastieken Matterhorn in een sneeuwbol. Zwitserland wordt zwaar overroepen.

Anderen zijn enthousiaster en komen er ieder jaar terug. De Davos-gangers bijvoorbeeld. Die bestaan in verschillende soorten.

Onze eerste ministers behoren tot een eerste categorie. Elio Di Rupo en Kris Peeters waren in Davos om managers en bedrijfsleiders om het meest te behagen. Buitenlandse investeringen worden liefst in het eigen landsgedeelte binnengeharkt. Ze lijken wat dat betreft een beetje op panda’s, met de notionele intrestaftrek als bamboe. Di Rupo en Peeters beleefden de tijd van hun leven, daar vorige week in Davos. Ze hadden hun beste gezicht opgezet en liepen elke paar stappen wel een grote ceo tegen het lijf.

Ze gingen er fanatiek mee op de selfie, verzamelden verwoed visitekaartjes en twitterden tegen elkaar op dat het een lieve lust was. Als een tweet geluid kon maken, dan was het twee dagen lang gekir geweest. In beide landstalen, en ook in een soort Engels, waarmee Di Rupo zich in Davos behielp. Kreetjes van vreugde en verlangen, van verlekkerdheid en vrolijkheid. Alsof Heidi in hoogsteigen persoon rechtstreeks vanuit berg en dal binnen kwam gelopen, pardoes op hun power breakfast, begeleid door alpenhoorns en jodelende koeien. Onze beide eerste ministers waren aangrijpend hard in de wolken.

Daardoor zagen ze niet dat de stemming bij veel andere aanwezigen een beetje bedrukt was. Vooral bij de bedrijfsleiders, de Davos-gangers van het tweede type. Ze zijn superrijk en volgens het cliché eten ze daar dure kaviaar en drinken ze fijne champagne. In het echt doen ze dat ook, maar ze hadden deze keer wel zorgelijke rimpels in hun voorhoofd. Dat was de schuld van Oxfam, van Bono en ook wel van Paul Goossens, met zijn linkse praat altijd.

Eerst Oxfam. Aan de vooravond van het feest had deze ngo de ongelijkheid op de agenda gekatapulteerd. Dat gebeurde met een rake vergelijking: de 85 rijkste mensen ter wereld – dat is ongeveer het aantal mensen op een zondagochtend op het gras van een kleine tot middelgrote golfclub – bezitten evenveel als de 3,5 miljard armsten. Dat is de halve wereldbevolking.

Die Bono van U2, die altijd veel noten op zijn zang heeft en voor alles een pasje weet te bekomen, had het er de volgende dagen natuurlijk nog eens goed ingewreven. En op zaterdag was er dan Paul Goossens die Davos in deze krant een cynische farce noemde. Dat is voor discussie vatbaar. Er zijn misschien ook bedrijfsleiders met een hart, en er zijn er zeker met verstand. Extreme ongelijkheid is een probleem. Het is niet prettig om als bedrijfsleider in het journaal te zien dat je eigen bedrijf omsingeld wordt door mannen in een rode vuilniszak van de FGTB die palletten in brand steken. Maar het is niet alleen dat. Wereldwijd 85 smartphones kunnen verkopen, of 3,5 miljard, dat scheelt wel wat in de omzet en in de inkomsten. En een werkloze die zit te wachten tot er een uitkering langskomt, consumeert ook niet zoveel. Als iedereen in een kartonnen doos in het station slaapt, vallen er weinig zaken te doen in de wereld. Ook superrijken hebben er belang bij dat er wat gedaan wordt aan de ongelijkheid en de werkloosheid.

De rijkdom moet een beetje herverdeeld worden. Maar natuurlijk wel op gedoseerde wijze. Het kan niet het plan zijn om straks iedereen met de helikopter naar Knokke te vliegen. Zoveel plaats is er daar op Waikiki beach nu ook weer niet. Zoeken naar een gezond evenwicht blijft een moeilijke klus voor de elite van Davos.

Gelukkig was er dit weekend toch nog goed nieuws, althans voor in België gedomicilieerde bedrijfsleiders. Bij terugkomst hoorden ze over een uitgelekt rapport van Financiën, dat bewees dat er nooit eerder zoveel geldstromen tussen Belgische bedrijven en belastingparadijzen waren als vandaag. En in de krant lazen ze dat er bij de belastingen steeds minder controles gebeuren ten gevolge van de besparingen. Het was slim om naast de Toblerone toch ook nog een fles champagne mee te ritsen op de slotreceptie.

Advertisements

Frietkotcultuur

In het dorp waar ik opgroeide, waren er zes frietkoten en nul pitazaken. Twintig jaar later zijn er in datzelfde dorp nog drie frietkoten, waarvan één bemand wordt door een frietchinees. Er zijn ook drie pitazaken en een twijfelgeval: Efese, waar ze zowel pita als frieten aanbieden. Eén frietkot is over te nemen, wegens een vroegtijdig sterfgeval (een hartinfarct ten gevolge van cholesterol – niemand slaat de goede raad van Pascale Naessens ongestraft in de wind).

Frietkoten bestaan nog, en aan de Gouden Saté in Gent blijft de goesting groot en de rij lang. Maar er is veel concurrentie gekomen. Vorige week kreeg de sector dan ook een opsteker. Minister Joke Schauvliege voegde de frietkotcultuur toe aan de inventaris van ons immaterieel erfgoed. Eveneens op die lijst: de Belgische biercultuur, het manueel klokkenluiden, de vinkenzetting en de Ros Beiaard-ommegang. Ook de mysterieuze krulbolsport staat in de inventaris, vermoedelijk dankzij een fervent amateur met goede connecties.

De Vlaamse lintbebouwing is er niet in opgenomen, net zo min als de file tussen Affligem en Ternat die nochtans ook betrekkelijk authentiek is. De lijst is een snapshot van een veertigtal dingen waarvan de minister, daarin geadviseerd door allerlei bevoegde organen, zou willen dat ze de tand des tijds doorstaan. Het gaat om zaken die goed en lekker zijn of plezant en grappig of gewoon mooi. En zeker ook oud. Ze dateren uit een tijd waarin Vlaams nog Vlaamsch was.

Sommige zijn duidelijk op hun retour, andere houden voorlopig stand, geholpen door subsidies of de extra bus toeristen die een erfgoedlabel opbrengt. Het houten paard uit Dendermonde dat eens in de tien jaar uit een loods van de gemeente wordt gehaald, brengt bij goed weer nog veel volk op de been. Maar bij de vinkenzetting of de kantklosserij gaat het met de gemiddelde leeftijd van de liefhebbers toch heel erg de slechte kant op.

Advertentie

Of cultuur zich laat vangen in een inventaris, is nogal twijfelachtig. Er is maar weinig dat voor de eeuwigheid gebeiteld wordt. Op een dag doet de tijd zijn werk, en de tijd doet dat goed en grondig. De lijst bevat in hoofdzaak bakens van een periode die nog net niet helemaal voorbij is.

Maar ze fascineert omdat ze een overzicht geeft van de dingen waarvan we het waard vinden dat ze bewaard blijven. Wat willen we nu echt koesteren? Waar zijn we trots op? Wat pakt ons? Zoiets.

Eigenlijk zegt zo’n inventaris meer over vandaag dan over het verleden. De ene wordt weemoedig bij het geluid van een beiaard, het spelen van krulbol of het zien van een garnaalvisser, bij voorkeur te paard. Voor de ander is dat wat veel oude rommel van de pépé en moet er aan de volgende generaties vooral gerief van de App Store worden meegegeven. Of het mag wat meer een mengelmoes zijn.

Hoe we willen worden herinnerd, is één ding. Hoe we zullen worden herinnerd, is nog wat anders.

Gesteld dat de inventaris van ons immaterieel cultureel erfgoed door een vergetelheid niet meegaat in het praalgraf van minister Schauvliege. Gesteld ook dat de cloud over een eeuw of vijf-zes totaal crasht ten gevolge van een zonnewind, en dat alle digitaal opgeslagen informatie uit de vroeg-eenentwintigste eeuw verloren is gegaan.

De historici van over vijfduizend jaar die wat meer willen weten over het leven in een Vlaams dorp anno 2014, zullen dan hun toevlucht moeten nemen tot een goede ouderwetse opgraving. Wat voor attributen zullen ze dan aantreffen in de restanten van de fermettes? Een veldritfiets, een dvd met FC De Kampioenen (het is dus niet totaal uitgesloten dat de serie over vijfduizend jaar opnieuw herhaald wordt), een televisiemeubel uit de Ikea en vergeelde manuscripten met stijladvies van Astrid Bryan. Misschien vinden ze in het opgegraven slijk ook een paar botten terug waaruit ze met de nieuwste technieken de BMI van de dorpsbewoners kunnen reconstrueren. Dan zullen ze gemiddeld enigszins verhoogde waarden vaststellen, toe te schrijven aan bovenmatige participatie aan de frietkotcultuur. Alhoewel. Het kan ook van de kebab zijn.