De kracht van het verhaal

Het is bijna zover. Verkiezingsdag, hoogmis voor politici, politicologen, Wetstraatjournalisten en toogfilosofen. Ook voor wie maar halvelings in politiek geïnteresseerd is, blijft het een bijzonder moment. Er is dat speciale gevoel van opwinding, als de hele straat ’s ochtends naar de basisschool trekt, waar voor de gelegenheid houten hokjes staan en waar mensen elkaar aanmoedigen om ‘voor de goeien’ te stemmen. En ’s middags is het wachten op de eerste uitslag uit Herstappe. Daarna komt de verkiezingsshow, het ritueel onder leiding van Martine Tanghe met de eerste analyses, de eerste verrassing, de eerste speeches. Tegen de avond weet iedereen hoe de kaarten liggen en of de campagne veel heeft uitgehaald.

Nieuw was deze keer dat de partijprogramma’s onder het vergrootglas van de cijferaars werden gelegd. Inkomsten en uitgaven werden in tabellen en grafieken gegoten en iedereen kon uitzoeken hoeveel hij bij de voorstellen te winnen of te verliezen had. Volgende keer wordt er vast een app ontwikkeld die op basis van uw profiel de partij aangeeft waar u meest profijt mee doet. Misschien komt er wel een voorstel om alle stembrieven op voorhand in te vullen zoals de belastingbrief, afhankelijk van inkomen en gezinssituatie.

We zijn de voorbije weken kapotgecijferd en platgerekend. Of dat veel verschil maakt, is wat anders. Vele parameters zijn niet in te schatten, effecten zijn onzeker, tendenzen onbecijferbaar. Bovendien gaat het in de politiek niet enkel om centen ophalen en weer uitdelen. Een rekeningoefening is hooguit een onderdeeltje van het grotere verkiezingsproces waarvan de ontknoping nu snel nadert.

Belangrijker dan de rekenmachine is het verhaal dat de partijen brengen. Een verhaal over problemen en over voorgestelde oplossingen. Sommige verhalen spreken meer aan dan andere. Vandaag klinkt het luid dat er ingrijpende veranderingen nodig zijn. Dat het zo niet verder kan. Alles moet anders, of de afgrond gaapt. Is dat verhaal correct? Dat is moeilijk objectief te achterhalen. Stel dat er geen radicale verandering komt na 25 mei, worden we dan een failed state? Gaat het licht dan uit? Gaan we door de straten dwalen met honger en met holle ogen? We weten dat niet. Wat we wel weten, is dat radicale veranderingen betrekkelijk zeldzaam zijn in onze contreien, net als de bruuske ineenstorting van politieke en sociale systemen. Die zijn meestal toch wat kleveriger dan beeldenstormers laten uitschijnen. Omgekeerd heeft een maatschappij die zichzelf niet permanent corrigeert ook een groot probleem. Maar de geschiedenis maalt over het algemeen vrij langzaam. Of die traagheid ook meest wenselijk is, dat is een andere zaak.

De dringende behoefte aan verandering is in elk geval het thema van deze verkiezingen. Ergens was er een omslagpunt en zijn ook journalisten en experts met een sterke reputatie er hard in gaan geloven. Het auditcomité van Terzake bevestigde het vorige week: ons sociaal model is onhoudbaar en vraagt om drastische bijsturingen. Gaandeweg wat blijven sleutelen, is nu geen optie meer. Of dat een objectieve waarheid is, valt echt nog te bezien. Bruno Tobback zag het in elk geval anders, en wist met zijn frustratie geen blijf. Maar als de dramatische boodschap lang genoeg herhaald wordt, ook door lieden met wat aanzien, wordt het moeilijk om nog in iets anders te geloven.

Het doet denken aan het discours over het einde van de euro. Twee jaar geleden kwamen talrijke stemmen met grote ernst in deftige programma’s vertellen dat de euro uit elkaar zou vallen. Op zijn minst voor Griekenland was het nu wel afgelopen. Verhalen met een hoog dramagehalte krijgen altijd genoeg airplay.

Enige tijd geleden had Vlaanderen een ander dominant verhaal: vijf minuten politieke moed zouden volstaan om BHV te splitsen en daarmee het land te redden. De schare supporters werd steeds groter, de analisten volgden, journalisten werden enthousiast en het leverde Yves Leterme haast 800.000 stemmen op. Als een discours geworteld is, wordt het haast onmogelijk om er tegenin te roeien. Naderhand bekeken waren vijf minuten wel wat krap, maar iedereen was er toch mooi ingetrapt.

Straks is er de dag na 25 mei, en moeten de winnaars hun verhaal in realiteit omzetten. Hoe het dan met die radicale verandering afloopt, zullen we nog wel zien. Er is ook nog dat ander landsdeel, en er is Europa, en een veelheid aan andere bepalende factoren die onlangs nog door Luc Huyse werden opgelijst.

Verkiezingen draaien goeddeels op emotie. Ze vinden plaats in een klimaat dat erg dominant kan zijn. Toch moet ons dat niet cynisch maken. Integendeel. Grote delen van de maatschappij denken tijdens zo’n campagne na over problemen en oplossingen. Verkiezingen blijven een eersteklasbarometer van wat er leeft in de straat en bij opiniemakers. En als het ene verhaal zijn geloofwaardigheid verliest, zal er straks een nieuw ontstaan. Dat heet voortschrijdend inzicht.

Advertisements

Over komkommers, regels en Europa

De Europese Unie moet zich concentreren op haar hoofdtaken, schreef Derk Jan Eppink in deze krant (DS 10 mei) . Er zijn er nog die er zo over denken. Guy Verhofstadt, kampioen van de Europese integratie, vindt dat Europa zich moet bezighouden met de grote uitdagingen en minder met de kleine regels. Martin Schulz, kandidaat-Commissievoorzitter voor de socialisten, doet in de debatten lacherig over allerlei pietluttigheden die Europees geregeld worden. Het klinkt goed: Europa moet groot zijn in de grote dingen en wat minder triviale zaken reguleren. Van al dat klein getreiter wordt niemand beter.

Komkommerfetisjisme

De overtreffende trap onder de idiote voorschriften was lange tijd de komkommer. Niet alleen de Britse pers beleefde lang veel lol aan dit verhaal. Europa bepaalde dat er maximaal tien millimeter kromming mocht zijn per tien centimeter komkommer. Verordening 1677/88 werd het mikpunt van onbegrip en spot. Was hier een ambtenaar met een obsessie aan het werk geweest? Een komkommerfetisjist? De waarheid was prozaïscher. Verschillende Europese lidstaten hadden elk eigen regels over wat als komkommer mocht worden verkocht. Dat is hinderlijk op de eengemaakte Europese markt. Komkommers die aan de Spaanse definitie voldeden, mochten niet in Frankrijk in de winkels. Of wel in Frankrijk, maar niet in Denemarken.

Als ieder land eigen normen hanteert, dan werkt de Europese markt niet meer. Dan moeten vrachtwagens aan de grens worden gecontroleerd om na te gaan of de ingevoerde komkommers wel aan de nationale standaarden voldoen. Erg omslachtig, als het de bedoeling is om de grenzen op te ruimen en een Europese supermarkt tot stand te brengen. Dus kwam er één Europese norm, die de verschillende nationale normen verving. De Europese komkommerregel was betrekkelijk absurd. Maar de diverse nationale regels die voordien bestonden, waren nog veel dwazer.

Om het verhaal van de komkommer af te maken: verordening 1677/88 is intussen ingetrokken. De lidstaten malen er blijkbaar niet meer om, hoe recht of krom komkommers zijn. Dan wordt ook de Europese regel overbodig. Voor de liefhebbers: er bestaan wel nog Europese normen voor tomaten, kiwi’s en nectarines.

Slagbomen

Het komkommerverhaal is op het eerste gezicht stompzinnig. Maar het illustreert vooral dat één markt organiseren zo zijn gevolgen heeft. Als ieder land er eigen regels op nahoudt, moeten we toch weer beginnen met grenscontroles, slagbomen, wachtrijen, bureaucratie, tijd- en vooral veel geldverlies. Tenzij er een ideologische keuze wordt gemaakt: de wederzijdse erkenning, een ultraliberaal principe. Daarbij wordt gesteld dat als een product in één lidstaat legaal is, het ook door alle andere lidstaten zonder gezeur aanvaard moet worden. Als het over de kromming van komkommers gaat, lijkt dat niet direct een drama. Maar er staat meer op het spel. Het gaat dan ook over pesticiden, en over bewaarmiddelen in voedsel. Over veiligheid van speelgoed of over ggo’s. Met uiteenlopende normen in verschillende lidstaten is er geen enkele garantie op hoge standaarden. Integendeel, invoer uit landen met een lager beschermingsniveau zal goedkoper en dus aantrekkelijker zijn.

Wie voedselveiligheid en consumentenbescherming belangrijk vindt, moet wel op het Europese niveau aankloppen. Wie niet wil dat cosmetica op dieren zijn getest, zal dat Europees moeten regelen. Als deze kwesties aan de lidstaten afzonderlijk worden overgelaten, is er altijd wel een die het wat minder nauw neemt met veiligheid, gezondheid of dierenwelzijn. En dus is het Europa dat tot in details voorschrijft aan welke hygiënische voorwaarden een slachthuis moet voldoen en hoe de ogen aan een teddybeer bevestigd moeten worden.

Het wilde Westen

Regeldrift? Ja, gelukkig wel. Natuurlijk zijn er op de ladder van de grote uitdagingen wel zaken die wat hoger mogen staan. En er zijn vast ook regels overeengekomen die eerder zijn ingefluisterd door een slimme lobbyist dan ingegeven door sociale of milieu­bekommernissen.

Maar al de kleine Europese regels, waar ook in deze campagne weer geringschattend over wordt gedaan, maken precies de essentie uit van het Europese project: een eengemaakte vrije markt, niet het wilde Westen. De Europese Unie is een gereguleerde markt en dat is het verschil met vele plekken elders in de wereld. Er is hier een bekommernis om de veiligheid van speelgoed, het leed van dieren, hormonen in het vlees en chloor in kippen. Het voorzorgsbeginsel is een belangrijke leidraad: Europeanen willen niet te veel risico nemen als het gaat om voedsel, milieu of het gebruik van chemicaliën. Dit vraagt allemaal om regels. Omdat we één markt vormen, is het zinloos om die zaken nog op nationaal niveau te regelen. Daarom is Europa onze favoriete regelneef. Er is geen reden om daar smalend over te doen.

Prikkeldraad

Europees president Herman Van Rompuy stelde vorige week zijn nieuwe boek voor. En hij was goed op dreef: de hele Balkan moet lid worden van de Unie en de banden met de oostelijke buren gaan we versterken. En, voegde hij daar vermetel aan toe, ik weet niet of daar bij de publieke opinie steun voor is, maar we doen het toch!

De fora op het internet waren weer te klein voor de verontwaardigde reacties. Heeft mijnheer Van Rompuy dan nog geen last gehad van een carjacker uit het oosten? Van een Pool die zijn baan wil inpikken voor de helft van het loon? Struikelt hij nooit over een Bulgaarse bedelaar aan de draaideur van de supermarkt? Weinig Europese thema’s roepen zoveel commotie op als uitbreiding. Op 1 mei was het exact tien jaar geleden dat een eerste golf landen uit Centraal- en Oost-Europa toetrad tot de Unie. Feest met taart en vuurwerk was er niet, althans niet in het westen. De Unie heeft last van uitbreidingsmoeheid.

In dat merkwaardige jaar 1989 lag het anders. Ineens viel het IJzeren Gordijn, kropen er in Berlijn mensen over een muur en keken we op kerstdag naar de executie van Nicolae Ceausescu en zijn echtgenote met de vele schoenen. Het communisme stuikte in elkaar en ons maatschappijmodel had gewonnen. We hadden er niet actief aan bijgedragen, maar trots waren we wel. Aan de Oost-Europeanen legden we uit hoe onze democratie in elkaar stak en hoe wij de economie organiseerden. De eerste Hongaarse vrachtwagens op onze snelwegen werden op applaus onthaald. Ieder dorp inviteerde in die tijd een volksdansgroep uit Tsjechië die hier in folkloristische klederdracht mocht optreden en komen proeven van het westen. De tijd was rijp voor de historische eenmaking van het continent.

Maar de sfeer kantelde. Want als die Oost-Europeaan dat folkloristisch kostuum uitdeed, bleek er een loodgieter onder te zitten. Of een minderjarige prostituee, recht uit het weeshuis. Of een bedelaar met een bordje dat hij honger heeft en zeven kinderen. En toen klonk het dat de uitbreiding een ramp zou worden. Er zouden economische accidenten gebeuren en we zouden vergiftigd worden door Poolse biefstukken uit slachthuizen waar de hygiëne nog moest worden uitgevonden.

Tien jaar later valt het met die aangekondigde catastrofes nog wel mee. Natuurlijk zijn er ongemakken en problemen die we nooit mogen relativeren. Er is oneerlijke concurrentie van schijnzelfstandigen die onder de prijs werken en de controles zijn te moeilijk. Ze zijn ginds nog altijd armer, en dus liggen de lonen er ook lager. Corruptie blijft een probleem. Hoe de Roma er behandeld worden, is te vaak een schande. Er zijn daar premiers die gerechtelijke onafhankelijkheid en persvrijheid eigenaardig interpreteren. Maar ook in het westen hebben we ons deel van de politici van bedenkelijk allooi, en die stukadoors uit het oosten werken hier enkel omdat wij ons pleisterwerk goedkoop geregeld willen zien.

Laten we de zaken vooral even in perspectief zetten. Vijfentwintig jaar geleden bestonden er amper politieke partijen aan de andere kant van Checkpoint Charlie. Verkiezingen waren er niet, of ze waren een klucht à la Noord-Korea. Het waren maatschappijen vol achterdocht en verraad, volkeren met trauma’s. De winkelrekken waren leeg, milieuproblemen onbespreekbaar. Intussen, in nauwelijks een kwarteeuw, voltrok zich een onwaarschijnlijke transformatie. Het bbp ging met sprongen vooruit, een maatschappelijk middenveld rees uit de grond, normen en regels werden gekopieerd van bij ons. Dat gebeurt met kinderziekten en soms met het ritme van een Echternachprocessie. Transities vragen altijd tijd, maar wie het nuchter bekijkt, ziet dat het in dit geval wel extreem rap gaat. Precies omdat we de wortel van de uitbreiding voorhielden, hervormden landen zich diepgaand en kregen ze economische kansen van formaat. Het ene land sneller dan het andere, maar de tendens is overal gelijk.

Wat als we hen dat perspectief niet geboden hadden? Dan was een hele rij landen wellicht meer en langer op de sukkel gebleven. De economische sprong en de maatschappelijke transformatie zouden trager verlopen, of in een andere richting. Dan zaten we daar, zonder plan en met verarmde buren. Zouden we de hongerige en de malafide types, op zoek naar geluk of uw autosleutels dan buiten hebben gehouden? Rondtrekkende daderbendes, laten die zich afschrikken door grenscontroles langs de hoofdwegen? Zo bekeken was het vroeger makkelijker. Er was dat IJzeren Gordijn, haast 7.000 kilometer lang, met wachtposten en zoeklichten. Wie te dicht in de buurt kwam, werd gewoon neergeknald. We moesten het niet eens zelf doen – de communisten regelden dat voor ons. Velen die de uitbreiding betreuren, hebben wellicht heimwee naar de prikkeldraad. Dan moeten ze dat zo ook maar zeggen.