Spiegelhoezen en schminksticks

Van Afrika tot in Amerika, van op de Himalaya tot in de woestijn wordt deze dagen met vlaggen gezwaaid. Of ze ook overal spiegelhoezen aan hun auto’s hangen, weet ik niet. Maar de wereld is in elk geval in de ban van het wereldkampioenschap voetbal.

Ik moet eerlijk zeggen dat voetbal mij doorheen het jaar maar matig boeit. En toch zal ik die match van de Belgen straks wel volgen. Het is zo moeilijk om niet meegesleept te worden in deze wereldbekergekte. Bij de Olympische Spelen heb ik het ook: ik ben tijdens de Spelen van Sydney in het midden van de nacht opgestaan om naar het judo te kijken. Ik ken daar eigenlijk niets van. Ik zie twee mensen in kamerjas een tapijt betreden, ze trekken en duwen aan elkaar tot ze tegelijk omvallen en de scheidsrechter roept iemand uit tot winnaar. En toch zette ik mijn wekker op halfdrie. Want er zat een Belgische in het tornooi. Als ik had geweten dat schutter Frans Peeters in Seoel medaillekansen had, ik was er ook voor opgestaan. Niets verenigt een natie zo sterk als sportieve prestaties. Als het om voetbal gaat, wordt het in onze contreien allemaal nog net iets zotter. Alle breuklijnen die er wezenlijk toe doen, worden dan even vergeten. Niets zal het geluksgevoel van de Belg vanavond steviger beïnvloeden dan een Rode Duivel die de bal in de twaalfde minuut een eerste keer mooi binnenkrult.

Er is sinds kort wel een excentrieke minderheid die zich als voetbalhater manifesteert, maar dat hoort bij de sfeer zoals Gargamel bij de Smurfen. Get a life, mopperpotten! Het is zomer en we gaan winnen, oké? Ik wil trouwens nog wel eens nagaan of voetballeken als Marc Reynebeau stiekem toch niet ergens een tricolore hoed, drietand, onesie of schminkstick hebben gehamsterd voor het geval we de finale halen.

En als ze niet meedoen met de polonaise bij een overwinning van de Rode Duivels, dan supporterden zij misschien wel voor de Belgen in de Elisabethwedstrijd of voor Hugo Claus in de periode van de Nobelprijs. Want van nationale trots heeft haast iedereen weleens last. België en Vlaanderen zijn historisch gezien erg toevallige constructies, maar dat neemt niet weg dat we ons opgetogen voelen wanneer een landgenoot ergens een beker of medaille wint. Nochtans hebben wij daar persoonlijk niet toe bijgedragen, hebben we met die kampioenen meestal weinig gemeen, en zijn ze zonder ondertiteling dikwijls moeilijk te verstaan voor mensen uit een andere provincie. Het is niet rationeel te verklaren, maar we kennen allemaal het verschijnsel en het maakt ons bij momenten erg vrolijk.

In het wereldbekergedruis van vandaag wordt vooral benadrukt hoe geweldig dat allemaal wel is. Het is goed tegen de verzuring en voor de solidariteit. De verkoop van supporterskits doet de economie geen kwaad en bierbrouwers beleven de zomer van hun leven. Bierdrinkers vermoedelijk ook.

En toch. Een vrolijk voetbalfeest kan heel snel omslaan in een aberratie. Veel is daar niet voor nodig. Een paar supporters in het verkeerde vak en het is al prijs. In de kreten van op de tribunes klinkt niet altijd veel tolerantie of subtiliteit. Naast het veld wordt geroepen op de vuile arbiter of wordt gesuggereerd om de schenen van de tegenstrever open te stampen. Natuurlijk houdt een grote meerderheid van voetballiefhebbers het hoffelijk en wordt de tegenstander niet al te opzichtig veel ellende, blessures of owngoals toegewenst. De gemanierde supporter zal na een nederlaag treuren en nog een glas drinken, en niet per se de aandrang voelen om dat glas ook in het gezicht te kieperen van de fans aan de andere kant.

De identificatie met ons team heeft echter een keerzijde die impliciet aanwezig is: een wat negatievere houding tegenover de tegenstander. Dat is ook logisch: we willen dat ons team wint, dus is het onvermijdelijk de bedoeling dat de rest verliest. Waar een ‘wij’ is, is er ook een ‘zij’, en we hopen dat die wat minder succesvol zijn. Dat ‘wij’ is overigens erg heterogeen en deelt, behalve eenzelfde grondgebied en een liefde voor de sport, niet zoveel gemeenschappelijke belangen. Maar dat bederft de pret niet. Veel enthousiastelingen verkleden en beschilderen zich vandaag, ze scanderen en ze dansen en ze zingen. Kortom, een verzameling rituelen die we doorgaans associëren met primitieve stammen uit een ver oerwoud. Ik kan weinig objectieve redenen verzinnen waarom ik hoop dat België wint en Algerije verliest. Het is een emotionele kwestie en het zit erg diep in ons. Precies daarom is appelleren aan dat nationaal gevoel een waanzinnig sterke kracht.

Het is dus geen toeval dat er wereldwijd politieke bewegingen zijn die dat natiegevoel nog verder cultiveren. De nationale eigenheid wordt afgezet tegen die van andere gemeenschappen, die het verwijt krijgen dat ze de ontplooiing van het eigen volk in de weg staan. De interne breuklijnen en uiteenlopende belangen binnen dat eigen volk worden onder de mat geveegd. En dat kan best een begeesterend project zijn, zo blijkt uit verkiezingsuitslagen. Maar net als bij voetbal kan zo’n feest ook onbehaaglijke kantjes krijgen.

De opa voor Europa

Terwijl de formaties zich in dit land kreunend op gang trekken, moeten er ook lastige Europese knopen worden doorgehakt. Herman Van Rompuy is informateur van dienst. Eerste opdracht: een voorzitter zoeken voor de Europese Commissie. De staats- en regeringsleiders moeten met grote meerderheid (maar geen unanimiteit) iemand voorstellen, waarna het nieuwe Europees Parlement erover stemt. Bij een parlementair njet begint alles opnieuw.

Er speelt zich een spannend politiek spel af van geven en nemen, allianties worden gesmeed en opgeblazen, blokkeringsminderheden krijgen vorm en gaan wankelen, er wordt gemikt op troostprijzen en cadeaus. Politique politicienne op zijn best, tussen hoofdsteden en tussen instellingen.

De Britse premier David Cameron stelt tegen Jean-Claude Juncker een veto waarover hij eigenlijk niet beschikt en de Duitse kanselier Angela Merkel ontpopt zich tot een Juncker-enthousiasteling, terwijl wij de voorbije jaren vooral ergernis ontwaarden telkens als ze reageerde op een van zijn gedachten.

Toch ligt de Luxemburgse oud-premier, die al dik twintig jaar verankerd zit in het Europese meubilair, nog altijd in poleposition. Hij was immers de ‘Spitzenkandidaat’ van christendemocraten en consorten die in het nieuwe parlement de grootste fractie vormen. De grote politieke groepen hadden elk zo’n kandidaat en het parlement liet weten dat het alleen zal instemmen met een commissievoorzitter die zich als dusdanig profileerde tijdens de campagne.

Als staats- en regeringsleiders met een andere naam afkomen, dan wordt dat parlement vast boos. Misschien geeft het in zo’n krachtmeting finaal toe, maar dat slaat wonden en het zal de zaken vooral vertragen. Dan is er wellicht geen voorzitter voor de zomer, en geen nieuwe Commissie in het najaar. Bij zo’n institutioneel vacuüm heeft niemand belang.

Er zijn vele redenen waarom Jean-Claude Juncker beter geen Commissievoorzitter wordt. Zijn fractie is weliswaar nog de sterkste, maar ze was ook de grootste verliezer, vorige week. Juncker is geen zestig jaar, maar hij ziet er uit- en afgeleefd uit en naar verluidt is hij dat ook. Hij rookt en drinkt zich te pletter (ook van horen zeggen). In de debatten tussen de Spitzenkandidaten was hij met ruime voorsprong de meest slaapverwekkende. Hij maakte een brij met holle woorden zoals groei en stabiliteit en innovatie. Het was van Europa dit en Europa dat, maar er leek geen sprankel enthousiasme in te zitten. Timothy Garton Ash werd er vorige week in deze krant ook niet wild van: misnoegde Europeanen zitten niet te wachten op dit verlept en cynisch mannetje (DS 27 mei) . ‘Stuur je opa naar Europa’, hoorden we tijdens een Nederlandse straatpeiling.

Toch is het belangrijk voor Europa dat Juncker net wél die voorzitter wordt. Het gaat dan niet eens om zijn ervaring, want er zijn vast kandidaten die minder versleten tonen dan de Luxemburger, die haast evenveel bagage hebben en die ook graag commissievoorzitter worden. Er is een principiële reden waarom hij het moet halen. Immers, we zeggen allang dat Europa onpersoonlijk is. Dat het geen smoel heeft en een verzameling is van anonieme technocraten, wonende onder een stolp over het Schumanplein. In theorie moet dat geen beletsel zijn om goed beleid te voeren. Maar zo werkt dat niet. We voelen er ons ongemakkelijk bij en het knaagt aan de legitimiteit van de Unie. Het is een griezelig idee om bestuurd te worden door robots waarmee we ons niet verbonden kunnen voelen, die we niet kunnen verfoeien of bejubelen. Europa heeft weinig gezichten. Of er zijn er wel, maar daar hebben we geen pak op. Wij stemmen niet op Angela Merkel of François Hollande.

Het experiment met de Spitzenkandidaten was eindelijk een poging om Europese verkiezingen Europeser te maken. Het was een begin. Het is eindeloos naïef om te verlangen dat dit van de eerste keer perfect werkt. Het Spitzenkandidaten-gedoe zal veel Europeanen vast ontgaan zijn. De debatten werden pas rond middernacht uitgezonden want het zou er toch niet veel toe doen. Ze waren bovenal saai, behalve toen als molenwiekende liberaal op dreef kwam, of de frisse groene kandidate met de komieke naam die we nog gaan horen.

De uitbouw van een democratie laat zich evenwel niet forceren, en al zeker niet als het transnationaal moet gebeuren. Gras groeit niet sneller door eraan te trekken. Markante initiatieven verdienen wel een kans. Europa is op zoek naar een eigen vorm van democratie. Dat wordt nooit een doorslag van onze nationale democratie, die overigens ook al enige tijd door de feiten is ingehaald.

Als de regeringsleiders straks Juncker niet nomineren, dan is het experiment voorbij. Dan kan de truc met de Spitzenkandidaten niet herhaald worden, wegens irrelevant. Dan hebben we bij de volgende Europese verkiezingen weer 28 nationale debatten met bijbehorend geklaag over het gebrek aan Europees karakter. Maar als het wel Juncker wordt, dan wordt de oefening de volgende keer zeer ernstig genomen. Dan komen de debatten in primetime op televisie en zullen de politieke groepen hun Spitzenkandidaten met zorg selecteren. Met opa’s zullen ze dan niet meer afkomen.