Zakske hebben?

Frans Timmermans is eerste ondervoorzitter van de Europese Commissie en dus de rechterhand van Jean-Claude Juncker. Vroeger geloofde hij hard in Europa en hield hij daar toespraken met passie over. Hij leek een beetje op Guy Verhofstadt.

De voorbije jaren is dat veranderd. In Nederland werd de publieke opinie sceptischer en vele politieke partijen begonnen Geert Wilders met zijn anti-Europaverhaal naar de mond te praten. De Europese Unie moet groot zijn in de grote dingen en klein in de kleine dingen, zegt Timmermans nu. Daarmee wil hij zeggen dat Europa een stem moet hebben in de wereld en de economie moet stimuleren. Voor het overige wil hij een terughoudende Unie, die minder regels oplegt. De impact van Europa op ons dagelijkse leven mag best wat kleiner. Timmermans voegt zich zo bij het leger van de zelfverklaarde eurorealisten, en die bevinden zich intussen in het voorgeborchte van de plek waar Nigel Farage en Marine Le Pen zich ophouden.

Het is Timmermans’ bevoegdheid om met een dikke rode stift door de wetsvoorstellen te gaan en alles te schrappen wat naar regeldrift geurt. Vorige week was hij korzelig, want hij had in het zand gebeten. De vorige Commissie had een voorstel gedaan om het gebruik van plastic zakjes terug te dringen. Zo’n wetsvoorstel wordt wet als het is goedgekeurd door het Europees Parlement en door de Raad, waarin ministers van de lidstaten zetelen. Beide instellingen bereikten vorige week een akkoord, en dat ging nog verder dan wat oorspronkelijk door de Commissie was voorgesteld. Voor Timmermans hoefde dat niet: hij vond het allemaal overdreven en wilde het voorstel al intrekken. Maar hij kwam te laat.

Zakske hebben?’ U hoort het bij de bakker, bij handelaars in fruit en groenten en – als het om mee te nemen is – bij pitaverkopers. Er is geen zin die vaker door winkeliers wordt uitgesproken. Nochtans doet België het in Europees perspectief niet eens zo slecht, met een consumptie van een honderdtal flinterdunne zakjes per persoon per jaar. Het Europese gemiddelde ligt op 176. Het gaat jaarlijks in Europa dus om haast honderd miljard zakjes, die gemiddeld twintig minuten in gebruik zijn. Daarna zijn ze gescheurd of plakkerig en liggen ze in de weg. Niet voor twintig minuten, maar voor een paar honderd jaar. Vaak belanden ze in de zee, waar ze opgegeten worden door vissen die van niet beter weten. Zo komen ze gedeeltelijk ook in onze voedselketen terecht.

Met de nieuwe Europese wet zullen landen verplicht worden om het gebruik van die zakjes drastisch af te bouwen, en dat gaat het best door het gebruik ervan te belasten. Er zijn landen die niet op de Europese verplichting gewacht hebben. In Denemarken en Finland worden er vandaag jaarlijks nog maar vier zakjes per persoon gebruikt en dat komt niet omdat die landen als gevolg van allerlei calamiteiten te kampen hebben met zakjesschaarste. Het gaat ook niet om achterlijke plekken, bekend om stuntelende consumenten die wanhopig onderweg zijn tussen de winkel en hun huis, met lompe boodschappentassen uit de jaren stillekes en de handen vol gerief. Het zijn deftig bestuurde landen, waar ze stroom hebben in de winter en de levenskwaliteit niet lager ligt dan hier. Het kan dus perfect, een zakjesarme samenleving.

Timmermans betwijfelt of het nuttig is om dat via een Europese verplichting te regelen. Er zijn vele redenen waarom dat wel zo is. Als een individuele lidstaat actie onderneemt, heeft dat weinig effect op het milieu. Het is een druppel op een hete plaat. Het is niet omdat Nederland maatregelen neemt dat Noordzeevissen merkelijk minder plastic zullen bevatten. Rivieren en zeeën stoppen niet aan grenzen, de vissen over het algemeen ook niet. De realiteit bewijst dat vele lidstaten niet geneigd zijn zelf maatregelen te nemen, zonder Europese dwang. Er zijn nogal wat landen waar consumenten vandaag haast 500 zakjes per jaar gebruiken.

Bovendien is de Europese Unie één markt. Als een winkelketen in het ene land wel zakjes mag gebruiken, terwijl een vestiging van dezelfde keten in een andere lidstaat een andere verpakking moet gebruiken, waarschuwen juristen voor geruzie en juridische ellende.

Maar vooral: wat de Europese Unie onderscheidt van vele andere grote markten in de wereld, is dat het hier geen Wilde Westen is. Er zijn regels waaraan bedrijven en overheden zich moeten houden, in functie van voedselveiligheid, milieu, consumentenzorg en sociale bescherming. Daarin zit die Europese eigenheid: waarden die Europeanen belangrijk blijken te vinden, worden niet alleen verdedigd in de retoriek, maar ook afgedwongen in concreet beleid.

Daarom is het cruciaal dat de markt gereguleerd wordt. Daar zijn wetten voor nodig, met scherpe en dwingende doelstellingen. Velen beschouwen dat vandaag als Europees getreiter. Het is tot hun jolijt dat Timmermans met zijn rode stift door de wetsvoorstellen moet gaan. Hoe vaker die zijn slag thuishaalt, hoe meer Europa zijn eigenheid en ook zijn nut verliest.

Advertisements

De pret van de ellende

Het moet maar eens gedaan zijn met de miseriejournalistiek. Het journaal mag best wat constructiever worden. Dat schreef de baas van het VRT-nieuws, Björn Soenens, deze week op knack.be. ‘Hola!’, klonk het op de immer subtiele lezersfora, ‘Wij willen de feiten, en die zijn wat ze zijn!’ Als er miserie is, willen we dat dus weten. We moeten Noord-Korea niet achterna en alleen maar prettige dingen in het journaal brengen, toch?

Gelukkig kwamen liefhebbers van tries­tig nieuws de voorbije dagen nog goed aan hun trekken. Er waren verontrustende berichten over ebola­lijders en Syriëstrijders, over pedofiele pastoors en onbetaalbare pensioenen, over Oekraïne en Burkina Faso. Tot overmaat van ramp was er nog de dood van Neroke, de hond van Carmen Waterslaeghers. Het zat allemaal in het televisienieuws.

Dat dagelijks infuus ellende is evenwel niet zonder gevolgen, zo bleek uit een studie van marktonderzoeker Ipsos Mori. Hoewel er methodologisch wat aan rammelde, was de teneur overduidelijk. We hebben de neiging problemen groter te maken dan ze zijn. We denken dat 11 procent van de Belgische tienermeisjes het voorbije jaar een baby kreeg, in werkelijkheid was het 0,7 procent. We menen ook dat 29 procent van de inwoners hier moslim is, terwijl het maar om 6 procent gaat. 31 procent van onze landgenoten zou werkloos zijn, in realiteit is dat 8 procent.

Migranten, hangmatwerklozen en tienermoeders, het wordt allemaal vele keren overschat. Problemen die we in het journaal zien en waarover we in de kranten lezen, worden buitenproportioneel opgeblazen. Scholen durven bijgevolg niet meer op uitstap naar Brussel, want je moet al veel geluk hebben om zo’n trip te overleven zonder om te komen bij een aanslag. Ik wed dat huisartsen deze dagen patiënten over de vloer krijgen die vermoeden dat ze ebola hebben omdat ze in de bus naast een niezende Afrikaan hebben gezeten. Misschien mijdt u wel moskeebuurten. U vreest vast dat er elk moment een moslim naar voren kan springen met een baard en een hakmes, om uw hoofd eraf te snijden en er een filmpje van op Youtube te zetten. Bij de pastoor moet u ook niet meer zijn om u veiliger te voelen. Die misbruikt vast uw kinderen terwijl u erbij staat, in het echt of via Facebook.

Wie het nieuws wat volgt, die weet het wel: dit is een ellendige plek om te wonen. De enige troost die we hebben, is dat de miserie in de rest van de wereld nog groter is. Afrika bijvoorbeeld, dat is een zwart gat, waar wilde stammen elkaar bekampen met machetes en staatsgrepen plegen dat het een lieve lust is. Over het hele continent zwerven kindjes met holle ogen en hongerbuiken, op zoek naar vuilnis en naar een bootje om ermee naar Europa te varen. Oost-Europa is een corrupte regio vol dieven en jongeren die lijm snuiven op de voetpaden.

Kranten die zich specialiseren in homejackings, moorden en auto-ongevallen, verkopen over het algemeen goed. Maar ook in deftige debatprogramma’s krijgen stemmen die catastrofes voorspellen gegarandeerd veel airplay. Zo kregen we nog niet zo lang geleden dag na dag te horen dat het einde van de euro onvermijdelijk was en dat het onheil niet te overzien zou zijn. Het ging er allemaal goed in.

Blijkbaar vinden we dat op een of andere manier prettig, die doffe ellende rondom ons en het gevoel dat de afgrond erg nabij is. Maar door dat perverse verlangen naar miserie en door de ijver waarmee media erover berichten, raken we slecht geïnformeerd. Voor de democratie is dat slecht nieuws. Want ons stemgedrag baseren we op wat we aanvoelen als de problemen van de tijd, en dat subjectieve aanvoelen stemt niet overeen met de realiteit. Sommige politieke partijen gaan dan ook nog eens surfen op de opgeklopte kwesties en de angst. Hoe kunnen we nu ernstig debatteren als we de feiten niet eens kennen?

Het wordt pas echt zorgwekkend als politici mee de problemen gaan oppoken. Zoals de burgemeester die laatst in het journaal de ‘ongebreidelde permissiviteit tegenover het bezit van drugs’ wilde aanklagen, en het feit dat ‘niemand zich daar vragen bij stelt’. Sindsdien zetten we kindjes af in de crèche met het bange besef dat de kans reëel is dat ze er per ongeluk een dosis speed zullen inslikken. Een stagiair-kinderverzorgster die er wat minder uitgeslapen uitziet, zit ongetwijfeld aan de drugs. En niemand doet er wat aan! De burgemeester heeft het zelf gezegd.

Er is veel miserie, dat is zeker. Maar de context is breder, er zijn altijd andere invalshoeken en doorgaans ook nuances. Als Björn Soenens pleit voor constructief nieuws, dan wil hij een journaal dat de dingen in hun perspectief zet, oog heeft voor wat er wel goed gaat en ook oplossingen in de kijker plaatst. De democratie kan er alleen bij winnen. Voor de campagne van sommige politici wordt het nieuws dan plots wat minder interessant.