Het kompas

800.000 vluchtelingen opnemen? Wir schaffen das, zei Angela Merkel. Dat was een lelijke tegenvaller voor onze regering. Want als de Duitsers zoiets zien te regelen, dan moeten wij het voorzeker ook wel een beetje kunnen schaffen.

De N-VA, de regeringspartij die zich in het vluchtelingendebat het sterkst profileerde, voelde meer voor de aanpak van Hongaars premier Viktor Orban. Een groot deel van de kiezers, zo vermoeden ze bij de N-VA, is bang van dat obscure volk uit Syrië, Afghanistan of Afrika. Bijgevolg mogen we ze zeker niet lokken met ons kindergeld. Sterke buitengrenzen zijn nodig, vier meter hoog en als het moet met prikkeldraad en al.

Maar er is een probleem: Viktor Orban is enigszins een paria. Met zijn hervormingen van gerecht en media, zijn voorstel om de doodstraf opnieuw in te voeren en zijn bewondering voor Vladimir Poetin scoort hij slechte punten op de internationale scène. Wie in de weldenkende wereld tegenwoordig met Orban op de foto staat, is niet goed bezig.

Met Duitsland ligt dat natuurlijk anders. Duitsland is de gids die we graag volgen. Het was daarom gemakkelijker geweest als Merkel had gezegd dat Duitsland vol zat, dat de Grieken en de Italianen het maar moesten oplossen en dat elke vluchteling een IS-strijder kon zijn. In dat geval zou onze staatssecretaris voor Asiel en Migratie eigenhandig meebouwen aan de muur rondom het land. Maar Merkel zag het anders, en daarom regelt Theo Francken momenteel de pre-opvang, de opvang en de post-opvang van vluchtelingen zoals het hoort. Hij knarsetandt, maar hij doet het wel. Zijn partijleider steekt Orban intussen langs rechts voorbij, althans in zijn toespraken, want iedereen weet dat de Conventie van Genève niet heronderhandeld wordt. Die ongemakkelijke spreidstand is de schuld van Merkel.

Tijdens de eurocrisis was het gemakkelijker. Wat de Duitsers vertelden, lag in de lijn van de programma’s van de regeringspartijen: Griekenland moest onder curatele komen, privatiseren en extra besparen, of het land zou uit de euro worden geknikkerd. Als de Duitse minister van Financiën blafte, dan kefte zijn Belgische collega hem kwispelstaartend na.

Geregeld wordt de macht van Duitsland overschat. In concrete dossiers verliest Duitsland bijvoorbeeld opvallend vaak de stemming. Maar als het gaat om de grote lijnen uitzetten of als een crisis dringend moet worden aangepakt zonder dat er een handleiding voor is, dan weegt Duitsland duidelijk zwaar. Natuurlijk is het een groot land met een sterke economie, maar Frankrijk, Groot-Brittannië of zelfs Italië zijn niet zoveel kleiner. Toch is hun invloed veel minder groot. De Duitse macht is goeddeels gebaseerd op reputatie. Duitsland is het voorbeeld, zeker voor landen met een centrumrechtse regering – en zo zijn er nogal wat. De wijde omgeving vaart bijgevolg vooral op Duits kompas.

De BBC vraagt jaarlijks aan duizenden mensen wereldwijd van welk land ze een positieve of een negatieve indruk hebben. In die country ratings poll staat Duitsland al enige tijd los op kop. De Duitsers pakken de zaken goed aan, ze winnen voetbalkampioenschappen en het Ruhrgebied doet het ontroerend goed, zo weet ook Bart Peeters. De Duitsers leveren ons wasmachines van Miele en keukengerief dat niet kapot te krijgen is. Als het niet was van dat flutbier, dat eigenaardige brood en die taal vol naamvallen, de helft van Europa zou wel een Duitse deelstaat willen zijn.

Duitsland is de landenversie van de ideale schoonzoon: streng, maar rechtvaardig. Barmhartig zonder naïef te zijn. Van de Duitsers aanvaarden we dus ook dat ze anderen de les lezen. Die bekrompen en intolerante Orban bijvoorbeeld. De voorbije jaren vooral ook de Grieken. Was de hele euro-ellende niet begonnen omdat zij hun begrotingscijfers hadden vervalst en daarmee onterecht tot de euro waren toegelaten? Zat er geen sjoemelsoftware in het Griekse boekhoudingsysteem? (Sjoemelsoftware, het maakt plots grote kans om woord van het jaar te worden. En daar zitten de Grieken nu eens voor niets tussen.)

De Duitsers kunnen het zich permitteren om de vinger belerend op te steken naar jan en alleman omdat Duitsland zelf zo geloofwaardig heet te zijn. Die reputatie kreeg de voorbije dagen een ferme knauw door het gefoefel van een autofabriek die diep en innig met de Duitse staat verweven is. Daarmee dreigt ook een cruciaal stuk van de Duitse machtsbasis te wankelen. Vooral daarom kan Duitsland niet licht gaan over het schandaal van Volkswagen.

Advertisements

De schuld van een ander natuurlijk!

Aylan is verdronken en dat is niet de schuld van Bart De Wever. Het is de schuld van zijn ouders, wist hij ons te zeggen. Wat is dat tegenwoordig toch met die Syriërs die een toekomst voor hun kinderen willen? Een tentenkampje in het zuidoosten van Turkije is niet knus genoeg meer? De man in de straat, op televisie veelvuldig om zijn mening gevraagd, vindt het ook: het is niet onze schuld dat ze daar aan het vechten zijn. Nog een geluk dat wij een groot hart hebben en een leegstaande kazerne in Sijsele.

Als er dieper wordt gegraven naar de schuldvraag, wordt het ingewikkelder en overstijgt het Syrië. Bewapenden wij de strijdende partijen niet, omdat we daar goed aan verdienden? Deden wij geen onfrisse zaken met corrupte leiders als dit ons wat opbracht? Degradeerden wij grote delen van de wereld niet tot goedkope leveranciers van ertsen, koffiebonen en cacao? Verwachten we niet dat ze daar onze schoenen maken voor geen geld en in ellendige omstandigheden? Worden kansen op ontwikkeling, een beetje overal in de wereld, zo niet in de kiem gesmoord? Moeten we dan echt verbaasd zijn dat er radeloze en gefrustreerde mensen zijn? Dat er oorlogen van komen? Dat er vluchtelingen zijn?

Het is allemaal diep structureel en dus niet onmiddellijk het gevolg van een aanwijsbare daad. De schuld van ongelijkheid en miserie raakte verneveld, ook over vele generaties. Het wordt vermoeiend om ons bij elke Congolees te verontschuldigen voor het plunderen van zijn land, al hadden we daar indirect vast veel profijt van. Wij zijn rijk, en dat komt minstens gedeeltelijk omdat ze op andere plekken arm zijn.

We geloven graag dat wij, in tegenstelling tot de rest van de wereld, harde werkers zijn. In realiteit zijn we vooral gelukzakken. Al direct na onze geboorte kraaien we van pret op de weegschaal van Kind en Gezin. We hebben daar niks voor moeten presteren, behalve hier geboren worden. Dat simpele feit verschaft ons toegang tot kindergeld, fatsoenlijk onderwijs, allerlei uitkeringen en later een bedrijfswagen. Als we niet te zot doen, komt het allemaal vanzelf. We moeten er in elk geval niet voor in een rubberboot kruipen. Dat Mia ­Doornaert gisteren in deze krant óók gelijk heeft, en dat vele leiders er ginds een boeltje van maakten, is een meevaller: zolang we dat benadrukken, moeten we het minder over die eigen, meer diffuse verantwoordelijkheid hebben (DS 14 september) .

Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker had er vorige week in het Europees Parlement genoeg van: schuld of geen schuld, Europeanen zijn in het verleden vaak genoeg op de vlucht geweest. Nu is het tijd om anderen te helpen. Op het einde van zijn speech – de fut was er helaas al uit – ging het ook over andere uitdagingen. Klimaatverandering bijvoorbeeld. Straks is er de conferentie in Parijs, over maatregelen om de opwarming van de aarde te beperken. Obama keek onlangs op televisie dan wel bezorgd naar een afkalvende gletsjer, maar Europa moet de leiding nemen, aldus Juncker.

Als Parijs een succes wordt, zal dat vooral zijn omdat vorige conferenties zo ontgoochelend waren. En als de Europese Unie het goede voorbeeld geeft, is dat omdat andere continenten het slechte voorbeeld zijn. Vrijdag bepaalt de Unie haar onderhandelingspositie en die zal lang niet zo ambitieus zijn als waar klimaatwetenschappers nogal unaniem voor pleiten. Europese landen zijn in dit dossier buitenproportioneel verantwoordelijk, historisch en ook vandaag nog. Een kwart van de energie komt van steenkoolcentrales, bindende afspraken over energiebesparing maken we niet meer, emissierechten zijn goedkoop. In België, met zijn ingeslapen klimaatbeleid, blijven we rijden met bedrijfswagens terwijl een schamele 7 procent van onze energie uit hernieuwbare bronnen komt.

Iedereen weet dat de landen die het meest last zullen hebben van de opwarming, de landen zijn die er het minst schuld aan hebben.

Aan de politici hier die alleen maar problemen willen oplossen waar ze schuld aan hebben, zou ik willen vragen wat ze zullen zeggen als straks de klimaatvluchtelingen aankomen in het Maximiliaanpark, omdat hun dorpen onder water lopen, hun akkers verwoestijnen, hun oogsten naar de knoppen zijn door alweer een hittegolf. Wat zullen ze zeggen als er weer een dode Aylan aanspoelt? Dat hij in zijn overstroomde, onbewoonbare land had moeten doodgaan van de honger? Durven ze ook dan nog zeggen dat het hun schuld niet is?

De ladder van de beschaving

De laatste keer dat er hier een vluchteling met open armen ontvangen werd, was in 2013. Het ging om ­Gérard Depardieu, op de loop voor de Franse fiscus. Hij kreeg een verblijfsvergunning, een interessante regeling voor zijn belastingen, en bij aankomst een receptie met hapjes en schuimwijn. Een bed en droge kleren vond hij zelf wel. Of hij ook een paar dagen had moeten aanschuiven bij de Dienst Vreemdelingenzaken, is niet geweten.

De gemiddelde Vlaming, die bij de omschrijving van zijn identiteit graag pronkt met zijn gastvrijheid en zijn goede inborst, houdt niet van vluchtelingen. Volgens een enquête van VTM vindt 80 procent van de Vlamingen dat we er nu wel genoeg herbergen. Ze komen hier halsoverkop toe, staren stug voor zich uit, spreken de taal niet, hebben een andere godsdienst en straks laten ze de rest van de familie overkomen. In plaats van een broek dragen sommigen een gewaad. Gedachten dwalen dan af naar Osama bin Laden, die ook al zo gekleed ging. Als een populaire partijvoorzitter de woorden vluchteling, crimineel en terrorist in dezelfde paragraaf gebruikt, weet iedereen hoe laat het is. Die armoezaaiers brengen narigheid en de deur moet op slot.

Dat de regering dat vooralsnog niet doet, is moedig. Ministers, ook die van de partij met de populaire voorzitter, weten dat het ingewikkelder is. De mensen die nu aankomen, komen vooral uit de gebieden waar Rudi Vranckx gevaarlijke toeren uithaalt: Syrië, Irak, Afghanistan, Eritrea. Er is daar oorlog, dorpen zijn er platgebrand, hoofden worden afgehakt. Dit gaat niet meer om economische vluchtelingen. De grens is natuurlijk dun, want wie uit miserie heel Afrika doorkruist op zoek naar eten en onderdak, is er niet noodzakelijk beter aan toe dan iemand die voor soldaten vlucht. Maar we hadden ons ingeprent dat gelukszoekers in eigen land wat meer hun best moesten doen. Gewetensgewijs kwamen we daarmee weg. Het vluchtelingenstatuut, zo zeiden we, is voor mensen die voor oorlog en vervolging op de loop gaan. Dat was gemakkelijk, want die raakten hier toch niet – of slechts per ongeluk.

Maar sinds enige tijd hebben we tegenslag, want de oorlogen van vandaag woeden op wandel- en vaar­afstand. Als we niet willen zakken op de ladder van de beschaving, moeten we de vluchtelingen die aankloppen dus welkom heten. Stiekem is er natuurlijk de hoop dat ze op weg naar Brussel verloren lopen.

De hypocrisie spat eraf. Officieel zeggen we ‘foei’ tegen de Hongaren en hun prikkeldraad, maar eigenlijk wensen velen dat die muur zijn werk doet. Een vluchteling die in de Balkan blijft hangen, is ons probleem niet. Intussen vallen er doden in de oorlog, in het water van de Middellandse Zee en in de laadruimte van vrachtwagens, op de pechstrook tussen Boedapest en Wenen. We organiseren een minuut stilte en kijken verdrietig, maar zijn toch vooral opgelucht dat ze ons land niet bereikten.

Denken we nu echt dat die vluchtelingen hun leven riskeren voor hun plezier, voor ons kindergeld, of voor Het Lam Gods of het Atomium? Aan kunstschatten hebben ze in eigen regio geen gebrek, tot voor kort althans. Velen hadden voor de oorlog een betrekkelijk goed leven. Nu schuiven ze aan voor een triest kantoor in een druilerig Brussel. Omdat ze geen alternatieven meer hebben, niet omdat ze willen profiteren.

De gastvrije Vlaming ziet het anders en hoopt dus dat de aanvragen voortaan geweigerd worden. Er zijn hier per slot van rekening in totaal al een paar duizend vluchtelingen. Libanon, ter vergelijking, heeft een bevolking van 4,8 miljoen, en daar komen intussen haast 1,5 miljoen Syriërs bij, naast een hoop Palestijnen en ander wanhopig volk uit de wijde regio.

Laten we, beste nieuwsredacties, de woorden ‘overspoelen’ en ‘overrompelen’ voortaan achterwege laten als we het over onze toestanden hebben. Niet om de waarheid te verbloemen, wel omdat het niet correct is. We hebben ook geen politici nodig die hun somberste gezicht opzetten, de argwaan oppoken of vluchtelingen verwarren met terroristen. In essentie gaat dit om diep menselijk lijden. In vergelijking met de miserie in de regio van oorsprong, is dit voor ons geen onbeheersbaar probleem dat het systeem gaat ontwrichten. Een land, gelegen in de meest welvarende regio van de wereld, dat niet primitief wil zijn, kan maar één ding doen: een deftig onthaal regelen.