Slimmer dan Mark Rutte

Het politieke landschap is in Nederland fors dooreengeschud. De eerste regeringspartij verliest ruim vijf procent. De sociaaldemocraten, met Europabonzen als Frans Timmermans en Jeroen Dijsselbloem, bestaan amper nog. De tweede partij is een racistische club met een A4’tje als beleidsprogramma. Thierry Baudet, de meest narcistische mens ter wereld, behaalt met zijn anti-Europa- en anti-islampartij twee zetels. De versnippering is totaal, de polarisering gaat benauwend ver en de coalitievorming wordt buitengewoon moeilijk.

In normale omstandigheden zou men elders in Europa beducht en gespannen reageren, maar dat lag nu anders. Blijdschap spatte van de felicitatietelegrammen en Mark Rutte werd uitgebreid gecomplimenteerd. Hij was de ster die de populistische pletwals tegenhield.

Het valt nog te bezien. Het parcours van Rutte vertoont menige gelijkenis met dat van de voormalige Britse premier, David Cameron. Als die met zijn kiezers sprak, viel er nooit een goed woord over Europa. In Brussel vergaderde hij met andere leiders, en dat deed hij constructief. Maar als hij na zo’n Europese vergadering in Londen uit het vliegtuig stapte en de pers toesprak, was het altijd om te zeggen dat ‘ze’ in Brussel weer wat dwaze dingen hadden bedacht. Alsof hij twee uur eerder niet zelf mee aan tafel zat. Natuurlijk haalde hij zelden over heel de lijn zijn gelijk, zoals ook de andere leiders nooit altijd en overal scoren.

Het ‘goede populisme’ komt hierop neer: clichés herhalen, simpele analyses maken en in slogans praten

Door zich altijd te distantiëren van de compromissen waaraan hij zelf meewerkte, fabriceerde Cameron het beeld dat Brussel een vreemde plek is waar niemand greep op heeft en waar idiote aliens mallotige beslissingen nemen. Het legde hem geen windeieren: uithalen naar de waanzin van Europa, maakte hem in Engeland populairder. In 2015 won hij met een straat voorsprong de verkiezingen. Toen later de Brexitcampagne begon, besefte hij wat er op het spel stond. In overdrive vertelde hij het omgekeerde van alle voorbije jaren: het verlaten van de Unie zou honderd miljoen miljard kosten, de Derde Wereldoorlog zou uitbreken en het licht zou uitgaan. Deze pirouette moest wel slecht aflopen. Achteraf bekeken is het verbazend dat de voorstanders van de Europese Unie in het referendum nog aan 48 procent raakten. Cameron nam ontslag en verdween van de aardbodem.

Dat laatste zal met Rutte voorlopig niet gebeuren. Hij kopieert de techniek die Cameron initieel ook succes bezorgde. Daarbij suggereert Rutte dat dit het ‘goede populisme’ is. In de praktijk komt het hierop neer: clichés herhalen, simpele analyses maken en in slogans praten. Over de Europese Unie vertelde Rutte de voorbije jaren dat ze te veel kost en bemoeiziek is, dat de prioriteiten verkeerd liggen en dat er geen cent meer naar Griekenland mag gaan. Daarmee spreidt hij het bed van Wilders en Baudet, die de redenering maar moeten afmaken: als er dan toch zoveel ellende uit Europa komt, waarom stappen we er dan niet uit?

Er is, voor alle duidelijkheid, niets mis met kritiek op Europa. De Unie neemt nooit voor iedereen de perfecte beslissing. Er zijn haast dertig lidstaten en in elk land zijn er vele strekkingen. Die mogen best voor hun overtuiging uitkomen. Maar finaal zetten ze zich aan de tafel. Daar treffen ze ook naarlingen en lastigaards aan die elders verkozen raakten. Samen wordt dan beleid gemaakt en dat vraagt altijd water bij de wijn. Ook Rutte en Cameron deden eraan mee: gemeenschappelijke problemen hebben een gezamenlijke aanpak nodig. Ook al ligt die finaal in het modderige midden en ziet hij er niet te fraai uit. Dat belangengroepen daar soms hard tegen protesteren, is legitiem. Dat politieke partijen in de verf zetten wat ze liever anders willen, is hun recht en zelfs hun plicht.

Maar als regeringsleiders de goede populist uithangen en consequent afstand nemen van al wat er uit Brussel komt, dan staan ze op een hele slappe koord. Het is geoorloofd om het oneens te zijn met een beslissing, maar een leider moet ook uitleggen waarom ze dan toch genomen werd, en al zeker als hij erbij betrokken was.

Het is eerder ondanks Rutte dan dankzij Rutte dat de eurosceptici onder de verwachtingen bleven. Als het populisme werd ingedamd, heeft dat meer te maken met het gezond verstand van de kiezers dan met Ruttes slimmigheid. Als de minister-president anti-Europese voorzetten blijft geven, is er vroeg of laat iemand die de bal binnenkopt. Met een betere campagne dan Wilders, met minder arrogantie dan Baudet. Ook in goed populisme rijdt men zich ooit vast. Verkiezingshelden van vandaag kunnen snel vallen. Dat Rutte het maar vraagt aan Cameron. Als die ooit nog durft op te duiken.

Advertisements

Doe maar voort

Stel: een Griekse en een Italiaanse student worden verliefd, terwijl ze op Erasmus zijn in Duitsland. De liefde is groot en grensoverschrijdend. Wat later huwen ze in Parijs. Ze vinden allebei een baan in België en wonen in Brussel. Daar raakt de Griekse gecharmeerd door een Spanjaard die haar meeneemt naar Madrid. Het Grieks-Italiaanse sprookje is voorbij en vanuit Spanje begint zij met de echtscheidingsprocedure. Vraag: volgens welke wetgeving wordt de scheiding geregeld? De Griekse? De Italiaanse? De Duitse misschien? De Franse toch maar? Zou het de Belgische zijn? Of is het een Spaanse rechter die mag oordelen? Het verhaal klinkt een tikkeltje exotisch, maar u zou ervan versteld staan hoe vaak zulke situaties zich voordoen, ook buiten de context van Temptation Island.

Sinds 2010 is er een Europese regel die vastlegt welke rechter bevoegd is. Voor wie ermee te maken krijgt: het is de Belgische wetgeving die telt, omdat het koppel daar zijn laatste verblijfplaats had. Het is markant dat die afspraken niet gelden voor alle lidstaten, maar slechts voor zestien landen. Bij gebrek aan brede overeenstemming namen zij het voortouw. Onder meer Zweden en Nederland doen niet mee. Het is een voorbeeld van wat men in Europees jargon ‘nauwere samenwerking’ noemt. De procedure staat sinds 1999 in het verdrag: een groepje lidstaten kan afspraken maken en moet niet meer wachten op de traagste.

Vorige week presenteerde Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker verschillende toekomstscenario’s voor de Unie: een grote sprong vooruit, een ferme stap achteruit, een kleine pas naar achteren en voortdoen zoals we bezig zijn, dus ploeterend en met schokjes. In een vijfde en meest besproken voorstel werken lidstaten voortaan in kleinere groepen samen. ‘Briljant! Dat we dat niet eerder hebben bedacht!’ klonk het in de media. Insiders bevestigden dat dit laatste scenario Junckers voorkeur wegdraagt.

De Unie hangt aan elkaar met compromissen, maar het was nooit anders

Nieuw is dat geniale idee dus in geen geval: nauwere samenwerking bestaat haast twintig jaar. Maar in al die tijd ontstonden er slechts twee kopgroepen: er is de kliek die grensoverschrijdende echtscheidingen regelde, en er is er eentje die een gemeenschapsoctrooi invoerde. Voor de volledigheid kunnen we nog de financiële transactietaks vermelden: tien landen onderhandelen er momenteel over, maar weinigen geloven in een goede afloop. De kans is gering dat zij een afspraak maken die slecht uitvalt voor hun beleggers. Die kunnen gemakkelijk uitvlaggen naar een buurland dat ook deel uitmaakt van de Europese kapitaalmarkt, maar waar ze geen trans­actietaks moeten betalen.

In de feiten zijn er daarnaast wel andere groepjes ontstaan. Er is de Schengenclub, met ook Noorwegen en Zwitserland, er zijn de landen die de euro hebben ingevoerd en bij militaire operaties onder Europese vlag doet nooit iedereen mee. Sommige lidstaten hebben mogelijkheden voor opt-ins of opt-outs. Dappere specialisten proberen het allemaal samen te vatten in gedeeltelijk overlappende venndiagrammen die niemand nog verstaat.

De praktijk wijst dus uit dat het niet eenvoudig is om een Europa met verschillende divisies te organiseren. Als het toch lukt, worden het altijd ingewikkelde toestanden. Het is ook niet zonder risico’s. In eenzelfde beleidsdomein kunnen twee verschillende kopgroepen ontstaan. Een schare landen kan een vluchtelingenbeleid uitwerken op basis van wir schaffen das, terwijl een andere verzameling inzet op een grote prikkeldraad. Dat zou nogal splijtend werken.

Het plan met de meerdere snelheden werkt pas echt goed als er een vaste ­coalition of the willing komt die in elk domein de leiding neemt. Maar dat ligt niet in de lijn van de verwachtingen. Wie willing is op het ene front, is unwilling op het andere. De meest stabiele kern zit wellicht rond de eurozone, maar Centraal-Europese lidstaten zullen er zich niet bij neerleggen dat zij dan in tweede klasse spelen.

Met zijn vijf scenario’s brengt Juncker meer structuur in het debat over Europa’s toekomst. Een resolute keuze voor één plan zal er evenwel niet komen. Ambities en prioriteiten verschillen sterk van land tot land en daarom zal ook de ene avant-garde zich niet vormen. De integratie gaat straks verder op diverse sporen en soms met verschillende snelheden, zoals het nu ook gebeurt. De Unie hangt aan elkaar met compromissen en dat is vaak verwarrend en lastig om te volgen. Maar het was nooit anders, en al spartelend doorheen crisissen doet de Unie het niet slecht in vergelijking met de rest van de wereld. Het meest waarschijnlijke scenario is bijgevolg dat van de persistentie: in schokjes vooruit, en doe maar voort. De prijs van de elegantie zal Europa er nooit mee winnen. Maar daarom is het nog al niet naar de wuppe.