Jolien, onderweg met de fiets

De laatste keer dat Jolien verjaarde was op paasdag. Het was 2006 en ze werd negentien. Ze studeerde politieke wetenschappen bij ons, ze speelde piano, ze deed ballet, ze hielp soms in de Wereldwinkel. Ze had vrienden, een lief, een zus, ouders. Bijzondere plannen had ze nog niet. Ze wilde reizen en ontdekken en de toekomst zou wel komen. Maar de toekomst kwam niet. Op 9 december fietste Jolien door de Nieuwevaart in Gent, in een jurk met sterren op. Ze werd door een auto weggemaaid. Ze spartelde tussen leven en dood, urenlang op intensieve verzorging. Ze was broos en erg gehavend. Ze gleed weg naar de foute kant. De machines werden stilgezet, de draden losgemaakt. Het was diep in de nacht toen en de dag zou nooit meer komen. Wie haar het meest dierbaar was, stond aan het bed. Ze hielden haar allemaal nog vast. De dood was rauw en koud, zoals ze dat altijd is. Maar ze kwam voor Jolien vooral te vroeg, te vals, te vuig.

Ik zal het maar zeggen zoals het is: ik rij graag met de auto, en wellicht meer dan nodig. Maar auto’s kunnen vreselijke dingen aanrichten. Gemiddeld wordt in Vlaanderen meer dan een keer per week een fietser doodgereden. Bestuurders hebben een verpletterende verantwoordelijkheid, maar het laat velen onverschillig. Ze rijden te roekeloos, te snel, te nonchalant, te opgefokt, te dronken.

Auto’s verpesten de lucht, ze stinken en ze zijn lawaaierig. Ze blokkeren trams en nemen plek in. De stad, met zijn smalle straten, is er niet voor gemaakt. In Gent is er nu een circulatieplan. Het bestuur wil meer zuurstof in de wijken, meer plaats voor wandelaars, fietsers en voetballende kinderen, meer warmte dan blikken dozen op vier wielen kunnen bieden. Of het plan goed werkt, zal moeten blijken. Het verdient alleszins beter dan boegeroep op een nieuwjaarsreceptie, een referendum of een petitie die de auto weer dwars doorheen het centrum wil.

Het is dwaas en droef dat Jolien in deze rubriek verrijzen moet, zij moest niet dood zijn

Auto’s zijn een geweldige vondst, maar ze brengen narigheid mee, en soms ravages. Dat besef moet bestuurders aanzetten tot bescheidenheid en voorzichtigheid. In de plaats daarvan is er vaak overmoed en arrogantie. Vorige maand fietste ik nabij Sint-Jacobs langs een auto die in de file stond. De chauffeur was boos en opgenaaid. Hij kocht geen wagen om vervolgens door fietsers te worden ingehaald. Aan zijn frustratie hield ik een hersenschudding over, een gezwollen gezicht, een groot blauw oog, schrammen en wat builen. Zo gaat dat dan. Het is klein bier in vergelijking met wat Jolien overkwam.

Straks, bij toeval opnieuw op Pasen, zou Jolien dertig worden. Haar beste vriendin trouwde vorige week. De broer van haar lief studeert nu politieke wetenschappen. Haar zus heeft een fijne baan. Haar ouders maken er het beste van, er zit niks anders op. Het is dwaas en droef dat Jolien in deze rubriek verrijzen moet. Zij moest niet dood zijn. Ze moest dit weekend gewoon vieren met taart en chocolade-eieren, narcissen in een vaas en hyacinten in een potje. Verjaren met Pasen is altijd speciaal. Maar er is geen feest voor Jolien. Er is wel een gedenksteen aan de Nieuwevaart, met kaarsen, een zon, wat plantjes en een foto. En er zijn de stille, donkere ogen bij al wie achterbleef. Er is de pijn, tot op het bot, die snijdt en nooit zal overgaan.

Laten we Jolien nooit vergeten, laten we dat afspreken. Laten we ook nooit die vele anderen vergeten wier leven ruw en abrupt en te vroeg stopte, langs de kant van de weg, tussen scherven, een kapotte fiets en een gescheurde jurk met sterren op.

Advertisements