Ceta maakt het verschil niet

Als Paul Magnette er niet was geweest, konden gepluimde kalkoenen straks vlotter verhandeld worden tussen Europa en Canada. De toegestane volumes zijn in het handelsverdrag exact vastgelegd. Datzelfde verdrag zegt ook hoeveel kalkoenpastei er kan gekocht en verkocht worden, met een onderscheid tussen pastei in blik en in bokalen. Het Ceta-verdrag telt 230 pagina’s, gevolgd door meer dan 1.300 bladzijden met uitzonderingen, toelichtingen, verklaringen, protocollen en kleine letters. Zelfs voor liefhebbers van het genre, onder wie academici en gespecialiseerde advocaten, is het zware kost.

Er zijn voor- en tegenstanders in alle maten en gewichten. Niet elke criticus is een wereldvreemde nostalgicus of een Waalse socialist, en niet elke aanhanger behoort tot de duistere elite of heet De Gucht.

Voorvechters van Ceta zwaaien met groeicijfers en extra banen, maar kunnen niet bewijzen dat de tewerkstellingstoename het verlies aan arbeidsplaatsen zal overtreffen. Tegenstanders laten zich dan weer snel ophitsen. Vorige week namen ze de verdediging van de Geraardsbergse mattentaarten op zich, terwijl die door Ceta niet bedreigd worden: namaakmattetaarten zijn en blijven in Europa illegaal. Geen Canadees kan daar iets aan veranderen.

Het is lastig om dit soort verdragen te beoordelen, omdat alles nog moet blijken. Europese milieustandaarden blijven overeind en de Unie moet haar sociale normen nergens naar beneden bijstellen. Wel leeft de vrees dat het in de toekomst moeilijker wordt om nieuwe regels op te leggen. In een vrijhandelszone gebeurt dat het best gezamenlijk, en het is de vraag of de Canadezen hetzelfde willen als de Europeanen.

In het Europese model, zoals dat vooral in de jaren negentig werd uitgewerkt, zijn regels belangrijk. De Unie is een markt zonder slagbomen tussen lidstaten, maar er gelden vele wetten. Zo blijft globalisering binnen de lijntjes. Bedrijven moeten hoge milieustandaarden respecteren, voedsel moet gezond zijn en producten veilig. Tot in de kleinste details is dat vastgelegd. Bedrijven mogen hun afvalwater pas lozen nadat ze het gezuiverd hebben, het gebruik van risicovolle additieven in het voedsel is verboden en een Europese regel schrijft voor hoe sterk het touwtje moet zijn waarmee de ogen aan een teddybeer bevestigd zijn. Bovendien moet concurrentie eerlijk verlopen en mogen bedrijven hun machtspositie niet misbruiken. Toen Microsoft de Europese regels overtrad, kreeg het een miljardenboete.

De Ceta-tegenstanders hebben schrik dat vrijhandelsakkoorden de markt de kans geven om zich van regels te bevrijden. Europa moet zich schrap zetten, klinkt het dan. Neen dus aan de uitholling van onze bescherming, neen aan de bedrijven die bij speciale rechtbanken schadeclaims willen indienen tegen overheden. Zo staat het op de website van de Waalse socialisten en vele organisaties.

Ontwikkelingen in de Unie zelf worden vandaag met veel minder expliciet protest geconfronteerd. In Europa wordt tegenwoordig nochtans meer vergaderd over bestaande regels afschaffen dan over nieuwe normen stellen. Cutting red tape is codetaal voor het verschijnsel om het mes te zetten in de wetgeving, en dat gebeurt niet op vraag van Canada.

Er zitten vandaag amper voorstellen voor nieuwe Europese normen in de besluitvormingsmolen, zeker in vergelijking met één of twee decennia geleden. Engagementen inzake klimaat blijven vaag en als er concrete maatregelen worden voorgesteld, botsen ze intern op veel weerstand. Het zijn bovendien Europese lidstaten zélf die bedrijven momenteel toelaten om miljarden weg te halen bij de overheden. De Europese Commissie toonde het voorbije jaar een paar keer aan hoe sommige belastingafspraken flagrant botsten met het Europese recht. In Ierland had Apple voor 13 miljard belastingen ontweken, in België ontsnapte een dertigtal bedrijven voor 700 miljoen aan de fiscus ten gevolge van een constructie die trouwens mee door de Waalse socialisten werd ontworpen. De landen kregen de opdracht om het ontdoken geld terug te eisen van de bedrijven, maar Ierland en België tekenden verzet aan bij het Hof van Justitie en willen niets terugvorderen. Daar komt geen Canadees aan te pas, ook geen schimmig arbitragehof.

Onheil komt dus niet alleen van de andere kant van de oceaan. Bedrijven als Primark of H&M zijn trouwens geen Canadese of Amerikaanse ondernemingen, maar respectievelijk Iers en Zweeds. Ze nemen het niet zo nauw met de internationale arbeidsrechten, maar we vinden ze wel terug in Europese steden die zich trots TTIP-vrij verklaarden.

De protesten tegen de dictatuur van de globalisering richten zich momenteel op vrijhandelsakkoorden. Of die negatief zullen uitpakken, is echt moeilijk te voorspellen. Het Europese model staat onder druk, dat wel. Maar de grootste bedreiging komt daarbij van binnenuit.

Zakken vol vakantiekaartjes

De bestuurders van Europa doen erg hun best om graag gezien te worden. Vroeger waren ze daar niet mee bezig. Ze leefden onder een stolp, maakten beleid in de luwte en trokken zich niets aan van wat de mensen daarvan dachten. Daarna kwam de periode waarin ze meenden dat liefde vanzelfsprekend was. De communicatie bestond uit hoerafoldertjes die de Europese Verwezenlijkingen op blinkend papier en in elke officiële taal bejubelden. Eén keer per jaar, op de opendeurdag van de instellingen, werd het volk uitgenodigd om ze te komen vieren, en er nog meer brochures in de pollen gestopt te krijgen. Uit dankbaarheid, en bombastisch begeleid door Beethovens Negende, moest iedereen zich spontaan Europeaan voelen. Het is niet geweten of Noord-Korea inspiratie haalde bij de Europese Unie, maar het zou kunnen.

Hartstocht kwam er nooit. Als de officiële folders al gebruikt werden, was het om aardappelen op te schillen. Het publieke onbehagen groeide en de Unie kreeg klappen, referendum na referendum. De bestuurders pakken nu gretig uit met dingen waarvan vermoed wordt dat mensen er wat aan hebben. Open grenzen, of de afschaffing van roamingtarieven. Nieuw is het plan om ieder die achttien wordt een Interrail Pass cadeau te doen. Stiekem leeft de hoop dat de postbode straks grote zakken met vakantiekaartjes naar het Schumanplein brengt: ‘Zonnige groetjes en bedankt voor die pas. Love you, xxx’

Critici zeggen dat liefde niet te koop is, en al zeker niet met cadeaus die sommigen nooit zullen gebruiken. Interrail is inderdaad maar wat het is: een pas om op de trein te stappen. Het is geen ticket waarin ook hotels zitten, volpension, alle fooien inclusief en met aquagym erbij. De armoedebarometer geeft aan dat 14 procent van de Vlaamse kinderen in armoede leeft, of op de rand ervan. Sporen zij straks doorheen Europa zonder centen? Zullen Spaanse of Griekse achttienjarigen zonder zicht op werk eerst wat door het continent trekken?

Vele jongeren vallen wellicht uit de boot, in dit geval de trein. Zij moeten ook die andere verwezenlijkingen niet hebben. Wie niet reist, heeft weinig aan het verdwijnen van grenscontroles of roamingtarieven. Die vreest dat er Roemenen komen om zijn baan in te pikken, dat onveiligheid toeneemt door open grenzen en dat binnenlands telefoonverkeer straks duurder wordt.

De kritieken op het Interrailvoorstel verdienen een goed debat, net als zoveel andere kwesties. Moet ook het Erasmusprogramma op de schop omdat daar geen dwarsdoorsnede van de jongeren aan deelneemt? Of fundamenteler: waarom staat armoede zo laag op de Europese agenda, in vergelijking met andere thema’s? Er is een Europese armoededoelstelling en wie hard zoekt, vindt ze terug op de website van de Unie. De meeste lidstaten zitten ver van het doel. Waarom komen ze daarmee weg, terwijl ze wel op het strafbankje belanden als ze niet genoeg besparen? Het is belangrijk genoeg om daar ook buiten de muren van de instellingen eens diep over na te denken, liefst in heel Europa.

Het is onbegonnen werk om zulke onderwerpen gezamenlijk te bespreken, zeggen eurosceptici. De Unie kan niet democratisch functioneren: al die culturen, talen en geschiedenissen zijn niet in één politiek project te vatten. Een Europagevoel zal nooit méér zijn dan een fantasietje.

Toch zijn er tekenen die erop wijzen dat Europa heel geleidelijk een realiteit wordt, zeker bij jongeren. Ze kennen elkaar, meer dan vroeger, over grenzen heen. Ze spreken een soort Engels dat in Spanje anders klinkt dan in Denemarken, en nog vreemdst van al in Engeland, maar ze gebruiken het op Whatsapp en Snapchat. Niet zo lang geleden was een reis doorheen Europa nog een expeditie, met een rugzak vol woordenboeken en Imodium want de lokale keuken was toch altijd erg bijzonder. Vandaag is een verlengd weekend in Kopenhagen of Lissabon voor velen vanzelfsprekend, met dank aan Ryanair, Airbnb en goedkope citytrips. Jaarlijks studeren honderdduizenden jongeren met het Erasmusprogramma in een ander land. Zo ontstaat Europa zonder dat het zich iets laat opleggen, zonder gezwollen gedoe van bovenaf.

Representatief is die publieke sfeer nog niet, maar ze wordt gaandeweg groter. Als het Interrailcadeau een kans verdient, is het wel omdat jongeren een extra gelegenheid krijgen om het continent en zijn bewoners te ervaren. Een beetje reizen leidt doorgaans tot meer begrip voor elkaars problemen en prioriteiten. Een discussie heeft die voedingsbodem nodig. Als Interrail een slecht idee blijkt, dan is dat tenminste geworteld in een goed debat.

 

Om het hardst anti-TTIP

Vorige week liep het opblaaspaard van Troje door Brussel. Het wordt door ngo’s van stal gehaald om te protesteren tegen het vrijhandelsakkoord waarover Europa onderhandelt met Amerika. Er zijn weinig afkortingen die in heel de Unie zo veel volk op straat krijgen als TTIP, het Transatlantic Trade and Investment Partnership. Steden en gemeenten verklaren zich massaal TTIP-vrij. Ze stemmen erover in de gemeenteraad en schrijven het vervolgens op hun website en op een plakkaat bij het binnenrijden van de bebouwde kom. Weldenkende mensen verzetten zich tegen deze handelsgesprekken en de meeste niet-weldenkende mensen intussen ook. Verdedigers vindt men nog slechts met een vergrootglas, of het zou Karel De Gucht moeten zijn, maar die is er beroepshalve toe verplicht: drie jaar geleden startte hij als Europees commissaris de onderhandelingen op.

De organisaties die opriepen tot de anti-TTIP betoging zien geen heil in een vrijhandelsdeal met Amerika. Zeker, TTIP is in het voordeel van bedrijven die voor grote markten produceren. Hoe minder obstakels, hoe liever ze het hebben. Maar worden wij er daarom ook slechter van, zoals de manifestanten geloven? Volgens de Europese Commissie in elk geval niet. Als het is om haar gelijk te bewijzen, schuwt ze nooit een hyperbool. Ze heeft het over honderdduizenden nieuwe banen en heel veel extra groei. Prognoses van de Commissie pakken meestal anders uit en de betogers zijn terecht sceptisch.

Toch moeten we er niet van uitgaan dat TTIP automatisch leidt tot lagere milieu- of voedselnormen. Daar is intussen een karikatuur van gemaakt, opgetrokken rond chloorkippen, hormonenvlees en Miley Cyrus. Waarom denkt iedereen dat Europa de rode loper zal uitrollen voor Amerikaanse brol en rommel? Alsof er in de Verenigde Staten geen consumentenlobby’s zijn. Alsof Amerikanen bij bosjes doodvallen omdat hun eten vol vergif zit. Alsof Europa nog nooit voedselschandalen of dioxinecrises heeft gekend. En alsof alleen Europa het patent heeft op strenge uitstootnormen voor auto’s. Werd onze sjoemelsoftware trouwens niet ontdekt op een Amerikaanse testbank? Het is waar dat Europa vaak strengere regels heeft, en het is precies de verdediging daarvan die het onderwerp vormt van de onderhandelingen.

Waarom zijn alle manifestanten er blijkbaar van overtuigd dat Europa door de knieën gaat? Het is een rare veronderstelling, net nadat de Commissie aan Apple liet weten dat het dertien miljard achterstallige belastingen moet betalen. Geen enkele instantie ter wereld, behalve de Europese Unie, durfde het al aan om een Amerikaanse gigant als Microsoft miljardenboetes op te leggen. Na veertien gespreksrondes over TTIP is er nog geen akkoord, en dat is een goed teken. Het wil zeggen dat de Commissie zich schrap zet. Wie trouwens moppert over het gebrek aan transparantie, heeft geen verstand van onderhandelingen. Als de Commissie al haar kaarten bloot op tafel legt, kan ze alleen maar verliezen. Dat is bij het pokeren zo, en ook bij het negotiëren.

Of verzetten de betogers met hun plastic paard zich principieel tegen vrije handel? Binnen Europa hebben we intern nochtans min of meer alle handelsbarrières opgeruimd, sinds de realisatie van het Europa 92-project. Het is Jacques Delors die dat als Commissievoorzitter regelde. Een socialist, en dan nog een Franse. Hij is de vader van de interne markt, en onderwierp ze tegelijk aan talrijke normen om milieu en consumenten te beschermen en sociale rampen te vermijden. Op kleine markten is het in een geglobaliseerde wereld moeilijk om hoge standaarden overeind te houden. Hoeveel de interne markt ons hier opbracht, is moeilijk te becijferen. Er waren ongetwijfeld ook verliezers, maar het nettoresultaat was positief. Niemand wil terug naar slagbomen en naar douaniers met een kepie die taksen berekenen en alle goederen controleren.

Het project van Delors kende een neveneffect: Europa ging wereldwijd mee de norm zetten. Iedereen wilde zaken doen met de meest welvarende plek ter wereld. Bedrijven richtten zich bijgevolg op de Europese normen, die zo op allerlei terreinen wereldstandaard werden. Intussen neemt elders de koopkracht toe. Bedrijven vinden andere afzetmarkten en wellicht wordt het voor Europa lastiger om de normen van morgen te bepalen. In bondgenootschap met Amerika zou de Unie meer gewicht hebben om wereldstandaarden te blijven zetten. Misschien zal het niet altijd zo streng zijn als we zouden willen, maar zonder TTIP laten we het in toenemende mate over aan Russen of Chinezen.

Het is goed dat vakbonden en ngo’s alert blijven. Maar dat is nog wat anders dan om het hardst anti-TTIP zijn. Op de spandoeken stonden geen voetnoten en door de megafoon schreeuwde niemand een nuance. En toch kan TTIP echt ook kansen bieden.

De parabel van de perenboer

Er was eens een perenboer in een klein land in het centrum van Europa. Als het niet te droog, niet te warm, niet te koud en niet te nat was, oogstte hij vruchten in overvloed. Hij werkte zich overdag te pletter en exporteerde dat het een lieve lust was. ’s Avonds was de perenboer een Europeaan zoals vele andere. Dan keek hij naar het journaal, becommentarieerde hij de politiek en maakte hij op het internet van zijn oren, als het kon in honderdveertig tekens.

In 2014 heerste in Rusland de boze Poetin. Die lachte Europa uit en lapte het internationaal recht aan zijn laars alsof het niets was. Hij was mee verantwoordelijk toen een vliegtuig boven Oekraïne met honderden Europeanen aan boord werd neergeschoten. De perenboer was droevig. Zijn leiders waren slapjanussen en lieten die Poetin gewoon doen. Hij wilde trots zijn op zijn continent en niet vernederd worden. Europese leiders kregen bakken kritiek over zich. De verontwaardiging werd steeds groter. En zie, het wonder geschiedde. Europa nam sancties die Rusland pijn deden. De perenboer was blij en voldaan. Maar donkere wolken pakten al snel samen boven Haspengouw. De Russen beslisten om tegensancties in te voeren: Europese peren werden geboycot. Dat had onze boer niet zien aankomen. Hij werd opnieuw boos op zijn leiders: waarom hadden zij hem niet gewaarschuwd? En was het eigenlijk wel nodig dat Europa zich bemoeide met de buren? Of de boer nog lang en gelukkig leefde, is niet geweten. Hij raakt van zijn peren niet meer af, en dat mag hij jaarlijks in het journaal komen vertellen.

De parabel van de perenboer gaat over onprettige gevolgen waar je liever niet aan denkt. Het is gemakkelijk om krachtige eisen te stellen. Maar het is minder gebruikelijk geworden om de redenering af te maken en de mogelijke gevolgen in rekening te brengen. We zouden beter moeten weten. Maar de perenboer heeft ook gelijk: uiteraard moeten politici beleidsdaden stellen en er waren vast goede redenen om sancties op te leggen aan Rusland. Maar ze konden wel voorspellen dat er tegenmaatregelen zouden komen. Ook al was het nog niet duidelijk dat de boeren er slachtoffer van zouden worden, een vooruitziende besluitvormer had een fonds moeten aanleggen om toekomstige gedupeerden te vergoeden.

Het is blijkbaar niet meer nodig om diep na te denken over de consequenties die aan beleidsmaatregelen plakken. Uit de Europese Unie stappen? De vennootschapsbelasting ineens met een derde verlagen? De noodtoestand invoeren? Het moet allemaal maar kunnen. Daarna steekt men zo lang als mogelijk de kop in het zand voor de gevolgen.

De struisvogelkampioen van het moment is Vlaams minister-president Geert Bourgeois (N-VA). Die leverde een exportlicentie af voor wapenonderdelen, meer specifiek vizieren. Ze zijn te monteren op mitrailleurs, geweren en antitankgeschut, en de bestemming is Saudi-Arabië. Het is alleen maar voor civiel gebruik, pruttelde de minister-president, zonder te specificeren wat hij bedoelde. Geen mens gelooft dat het materiaal ginds alleen gebruikt zal worden in de jacht op everzwijnen en konijnen. Saudi-Arabië is in de verste verte geen democratie. Het land staat bekend als een draaischijf in de wereld van de wapenhandel, als bakermat van het terrorisme, als leverancier van akelig gerief aan haast elke partij in het Midden-Oosten en daarbuiten. Het land is verwikkeld in een lelijk conflict met Jemen. Maar als we zaken kunnen doen, mogen we de kans niet laten liggen, vindt Bourgeois. De gevolgen van onze levering zijn niet exact te becijferen, ze zijn vaag en liggen veraf. We weten nog niet precies in welke foute handen de vizieren zullen vallen, en dus ook niet wie er de slachtoffers van zullen zijn. Dat er collateral damage komt, staat vast. Die is er altijd als er wapentuig naar die contreien gaat.

Maar eens we de kassa voorbij zijn, doet de rest er niet meer toe. Als er straks mensen verdrinken in de Middellandse Zee, of als er vluchtelingen aan de grens staan, afkomstig uit een regio die gedestabiliseerd is door te veel wapens, dan wassen we vast weer onze handen in de onschuld. Net als in de parabel van de perenboer gaat het in het verhaal van de vizieren om de nare, maar voorspelbare consequenties van het beleid. Bij de wapenlevering is de keten tussen oorzaak en gevolg wat langer en kronkeliger. Dat geeft klaarblijkelijk meer ruimte om de kop nog dieper in het zand te drukken.

Als het maar geen superstaat wordt

Vorige week dook de boerkini op in de perszaal van de Europese Commissie. Niet letterlijk uiteraard, want het is met de boerkini zoals met de Pokémon: alleman is er deze zomer hard mee bezig, maar niemand zag er al een in het echt.

De Commissie kreeg de vraag die ze wel vaker krijgt: waar blijft Europa? Moeten de fundamentele rechten niet bewaakt worden? Moet een boerkiniverbod dus niet veroordeeld worden? Van de weeromstuit richtte een andere strekking zich ook tot Europa: moet de boerkini in de hele Unie niet afgeschaft worden in het kader van de strijd tegen de terreur? De Europese woordvoerder maakte er zich met de gemakkelijkheidsoplossing van af: ‘We zijn niet bevoegd, niet om de boerkini te verbieden, evenmin om het verbod erop te verbieden.’ Deze uitvlucht hanteert de Commissie wel vaker als haar gevraagd wordt om een mijnenveld te betreden. Het is niet uitgesloten dat er straks nog een actiegroep opduikt die op Europees niveau lobbyt voor een boerkiniverplichting, bijvoorbeeld voor strandgangers met een BMI van meer dan 25. Het zal verloren moeite zijn.

Het punt is dat iedereen die met kleine of grote problemen zit, blijft aankloppen bij Europa. Thema’s die op nationaal niveau niet opgelost raken, of waarvan men hoopt dat de nationale aanpak overruled kan worden, blijven hun weg naar de Europese agenda vinden. Nochtans leek er na het Brexitreferendum een consensus te groeien: Europa moet bescheidener worden en meer ruimte geven aan de lidstaten. Dat is ook de mantra in de aanloop naar de top van Bratislava. Daar zullen de leiders halfweg september regelen hoe het verder moet met de Unie zonder Britten. Zelfs in België hamert de grootste partij er keer na keer op: het moet gedaan zijn met potige politieke preken. Europa mag geen superstaat worden.

Een scherpere blik op de standpunten doet vermoeden dat het daar in Bratislava geen jamboree van gelijkgestemden wordt. Er zijn lidstaten die een strenge naleving willen van de regels van de euro. Begrotingsontsporingen moeten harder bestraft worden, ook als ze zich in Frankrijk voordoen. Er is sterker Europees toezicht nodig, klinkt het. Maar dus zeker geen superstaat.

Andere lidstaten kijken naar Europa om groei te stimuleren en werkloosheid aan te pakken. Ze willen een groot Europees budget en een investeringspolitiek van formaat. Maar in geen geval een superstaat.

Er zijn ook landen die bang zijn voor de machtspositie van de Russen in het energiedebat. Zij willen niet dat Duitsland nog aparte dealtjes sluit met Poetin. Er moet een krachtig gemeenschappelijk beleid komen, om samen sterker te staan tegen leveranciers van gas en olie. Maar geen superstaat.

Landen die bang zijn voor vluchtelingen willen een groot hek rond Europa en een centraal aangestuurde politie om de buitengrens te bewaken. Maar voor alle duidelijkheid geen superstaat. Andere lidstaten willen vooral dat er Europese verdeelsleutels komen om vluchtelingen automatisch toe te wijzen aan de landen. Maar natuurlijk geen superstaat.

Erg kritische Oost-Europese lidstaten als Hongarije en Tsjechië gruwen nog het meest bij het superstaatidee. Maar vorige week lieten ze wel weten dat ze zich niet veilig voelen en dat de Europese defensie te versnipperd is, met haast dertig landmachtjes, zeemachtjes, luchtmachtjes en muziekkapellen. Er moet één groot en krachtig leger komen, zo zeiden ze, met één Europees commandocentrum en soldaten onder één gezag. Maar géén superstaat.

We hebben dus een Europa nodig dat de markt organiseert, milieu en gezondheid beschermt, in veiligheid voorziet, de eurozone laat functioneren, een centraal energiebeleid uitwerkt, iets met de vluchtelingen doet, een sterke stem heeft in de wereld, liefst ook voor groei zorgt en een leger heeft. Zolang het maar geen superstaat wordt.

Voor nationaal gebruik blijven leiders uitkramen dat Europa een stap terug zal zetten. De bevolking merkt dat de praktijk anders is, raakt de kluts kwijt en presenteert de rekening bij elk referendum. De realiteit is dat elk probleem dat te groot, te zwaar of te ingewikkeld is voor de aparte lidstaten onvermijdelijk op de Europese agenda komt. Dat zijn er steeds meer. Maar net als bij het futiele boerkinidebat is de prioriteit van de ene niet die van het andere. Visies op de meest geschikte oplossingen verschillen al evenzeer. Nu de Britten gaan vertrekken, worden de machtsverhoudingen opnieuw gekalibreerd. Ieder wil de vrijgekomen ruimte innemen en zal op zijn strepen staan. Brexitliefhebbers die zichzelf wijsmaakten dat Europese politiek zonder het Verenigd Koninkrijk gemakkelijker zou worden, mogen zich al voorbereiden op de kater van Bratislava.

Als de supermarkt maar open blijft

De Britten en Europa, meer dan een verstandshuwelijk is het nooit geweest. Ze vroegen korting op hun bijdrage, ze wilden niet meedoen met de euro, ze stapten nooit in de Schengenovereenkomst en ze kregen het recht op een opt-out voor asiel, migratie en andere thema’s die ze liever zelfstandig regelden. Toen er een spreidingsplan voor vluchtelingen werd afgesproken, bleven ze aan de kant. Als de Unie al te snel zou gaan en te veel zou doen, dan hebben de Britten er in elk geval niet veel last van gehad. Viel er eigenlijk nog wel iets te Brexiten, vraagt een mens zich af.

De Brexit zal bij nader inzien voornamelijk betrekking hebben op één project, en dat is – hoe absurd kan het worden? – datgene waar de Britten zich van oudsher volop in engageerden: de interne markt. De Europese Unie werd de voorbije decennia een grote supermarkt. Bedrijven zijn alom actief, consumenten kijken over de grenzen, leveranciers van diensten opereren op het hele continent, producten belanden overal, zonder obstakels, tarieven of beperkingen.

Maar op die eengemaakte markt gelden er ook regels, die moeten garanderen dat de concurrentie fair verloopt, bedrijven geen onterechte voordelen krijgen, voedsel veilig is, het milieu beschermd wordt en consumenten geen ongelukken tegenkomen. Veruit de meeste Europese wetten hebben alles te maken met de werking van de interne markt. Sommigen vinden dat er te weinig afspraken zijn, anderen zuchten bij elke nieuwe regel. Wie het Brexit-kamp bezig hoorde, zou denken dat de ene na de andere wet door de Britse strot geduwd werd. Maar wie de feiten checkt, stelt vast dat de Britse regering sinds 2004 met meer dan 97 procent van de Europese regels heeft ingestemd.

De interne markt willen de Britten uiteraard liefst niet verlaten: het verlies van 450 miljoen potentiële kopers van Britse auto’s, Schotse whisky, Engelse vliegtuigonderdelen kunnen ze zich niet permitteren. Maar Europa zal hen die toegang niet geven als ze zich niet houden aan de Europese regels. Mogelijk gaat men dit nu product per product beginnen bekijken. Dat wordt een van de belangrijkste onderdelen van de gesprekken die er aankomen.

Die onderhandelingen zullen vooral technisch zijn, maar ze kondigen zich aartsmoeilijk aan. Aan de ene kant is er Groot-Brittannië, een land dat nu onder extreme spanning staat. Politieke partijen zijn intern radicaal gespleten, er is een kloof tussen generaties, er is de regionale verdeeldheid. De Brexiteers proberen tijd te winnen, wellicht geschrokken van het eigen signaal. Ze sleurden het land in een blind avontuur met vage praatjes over soevereiniteit, met halve waarheden en hele leugens. Maar nu moeten ze zeggen wat ze concreet willen en de Europese regeringen zullen niet even naïef en emotioneel zijn als het Britse volk.

Hoe ontkluts je een omelet?

Aan de andere kant van de tafel zal het ook verward en lastig zijn. Deze krant meldde dat het geen kinderspel is om een scheiding te regelen met 27 exen tegelijk (dS Avond 23 juni). Wat de complexiteit nog versterkt, is dat die exen onderling goed ruzie kunnen maken. Officieel treuren ze allemaal, maar de ene doet het wellicht harder dan de andere.

Er zijn er vast die nu niet veel meer van de Britten moeten weten en een punt achter de relatie willen zetten. Maar traditionele bondgenoten, zoals de Nederlanders, willen allicht nog vrienden blijven en zo veel mogelijk samen doen. Er zijn ook landen die de Britten nodig hebben. De Belgen bijvoorbeeld, want wij verkopen er tapijten en veel koekjes en zouden dat liefst ook blijven doen.

De EU beschikt over het talent om zich al onderhandelend een weg te improviseren uit de moeilijkste situaties. Er is geen signaal dat het dit keer niet zou lukken. Maar een zachte landing wordt het toch niet. Na ruim veertig jaar lidmaatschap is de Britse wetgeving sterk afgestemd op de Europese. Financiële, economische en commerciële aderen lopen over grenzen heen en laten zich niet zomaar doorknippen. Die verwevenheid is minder groot dan tussen pakweg landen die ook de euro hebben ingevoerd, maar ze blijft intens. En ze verdwijnt niet met een spectaculaire stemming, zo net voor de vakantie. In de EU raakten 28 landen als eieren door elkaar geklutst. Nu wil één ei er ongeschonden worden uitgehaald. Maar ontklutsen is geen keukenterm, en zit ook niet in het politiek jargon.

Baas over eigen eiland

Het zit de Engelsen niet mee. Voetbalgewijs houden ze het hoofd nog boven water, maar hun supporters kregen op dag één al slaag van de Russen. Die mepten erop los als waren ze olympisch geprepareerde boksers. In de Engelse fanzone schenken de Fransen slechts frisdrank en mineraalwater. Het gevoel van vernedering moet reëel zijn. En wat is het een rare gewoonte dat de strafschopstip op 11 meter ligt, in plaats van op 433 inches. Maar nu donderdag dient zich dus dé gelegenheid aan om het lot weer geheel in eigen handen te nemen.

In de aanloop naar het Brexit-referendum hebben feiten allang geen belang meer. Cijfers zeggen niks, want niemand gelooft ze nog. Het gaat over migratie, zeer zeker, maar bovenal over soevereiniteit en zelfbeschikkingsrecht. Er is gejoeld en geroepen, gelogen en gefantaseerd, geassumeerd en gespeculeerd, aangedikt en opgeblazen. Bootjes werden nat gespoten, debatten werden plomp en rauw. Er is in naam van de Brexit wellicht ook gemoord.

Politicologen die beroepshalve referenda bestuderen zeggen dat kiezers, als het erop aankomt, conservatief zijn en niet geneigd om in het ongewisse te springen. Maar diezelfde politicologen weten ook dat het al vele jaren haast onmogelijk is om een referendum over Europese politiek te winnen. Er is een substantiële kans dat de Britten straks vertrekken. Dan mogen ze weer baas spelen over het eigen eiland, of althans een paar dagen die illusie koesteren.

Buiten Groot-Brittannië zullen velen de aandrang voelen om het signaal van de kiezer uit te leggen. Zowel links als rechts zal de verklaring met dezelfde vier woorden starten: Europa is verkeerd bezig. Liberaal fractieleider Guy Verhofstadt zei het in De zevende dag, N-VA-Europarlementslid Sander Loones schreef er vorige week nog over (DS 17 juni) en Yanis Varoufakis, de voormalige Griekse minister van Financiën, mocht het hier gisteren in het lang en het breed uitleggen (DS 20 juni).

De Europese Unie luistert niet naar de mensen, zeggen zij en vele anderen van diverse pluimage. Wat ze eigenlijk bedoelen, is: ‘De Europese Unie luistert ook naar andere mensen dan naar ons.’

Volgens Verhofstadt willen de mensen dat de Unie met springveren vooruit schiet, volgens Loones moeten de lidstaten daarentegen weer sterker worden, en Varoufakis zegt dat de Europeanen willen dat de Unie radicaal de koers naar links gooit. Allemaal dragen ze legitieme redenen aan voor het eigen gelijk.

Maar de essentie gaat klaarblijkelijk aan iedereen voorbij: de Europese Unie is een optelsom van 28 landen die niet overeenkomen en van 750 Europarlementsleden met de meest uiteenlopende ideeën. Maar ze organiseerden wel samen een markt, die hen veel welvaart bracht. Hun economieën raakten diep verstrengeld. En vooral, elk apart hebben ze amper impact op de uitdagingen van de 21ste eeuw: terreur, vluchtelingen, klimaatverandering of grootschalige belastingontwijking. En dus werken ze node samen. Ze stellen regels op die de markt doen werken en vergaderen zich te pletter om oplossingen te zoeken voor problemen die de grenzen overstijgen. Want elk voor zich, dat lukt niet meer.

Wat elk land op zijn eigen soevereinste zelve beslist, heeft onmiddellijk gevolgen voor de andere. Als kanselier Merkel in Berlijn Wir schaffen das! roept, dan landen de Syriërs niet met een parachute in Berlijn. Ze komen aan op Griekse kusten, wandelen door Hongarije en door Oostenrijk. Als premier Viktor Orbán prikkeldraad rond Hongarije spant, dan voelen de buurlanden daar de impact van. Als een land zijn banken niet goed controleert, raakt heel het continent in diepe trubbels. Wat in één land gezegd, gedaan of nagelaten wordt, dat voelt de rest. Dat geldt ook voor lidstaten die omgeven zijn door een grote plas water.

We hangen op dit kleine continent dus sterk aaneen. Dat besef houdt, alvast tot donderdag, iedereen aan tafel. Dus worden er beslissingen genomen, waarbij rekening wordt gehouden met allerlei belangen, tendensen en strekkingen. Compromissen zijn daarvan het resultaat, vermaledijd, te laat, te traag en menigmaal te weinig. Soms briljant, maar vaak ontgoochelend. Toch zijn ze tegelijk een teken van wederzijds begrip, van tolerantie en daarmee ook van beschaving. Niemand haalt zijn gelijk ten volle, maar iedereen is wel betrokken.

Veel Britten kunnen niet verdragen dat hun zogenoemde soevereiniteit wordt afgepakt en dat er daarna in Brussel vreemde dingen mee gebeuren. Ze willen niet dat 450 miljoen Europeanen meebeslissen over het leven van 60 miljoen Britten. Ze zouden het ook anders kunnen zien: 60 miljoen Britten beslissen mee over het lot van 450 miljoen mensen op het continent. Toch nog tot donderdag.

De Brexit bestaat niet

De prijs van de eurofilie gaat deze maand eens niet naar Guy Verhofstadt. De meest fervente apostel van de Europese Unie woont nu in Downing Street 10 en hij beschikt over nul geloofwaardigheid.

Als Groot-Brittannië uit de Unie stapt, breekt Wereldoorlog III uit! De inflatie zal pieken! De groei stuikt in elkaar! Er zullen geen banen meer overschieten! De kostprijs voor het land loopt op tot honderd miljoen miljard! Met al zijn hyperbolen lijkt premier David Cameron geplukt uit een aflevering van Kabouter Wesley. Diezelfde Cameron heeft jarenlang niets anders gedaan dan van zijn oren maken over Brussel: bemoeizuchtig, een kwelling voor de bedrijven, een rem op de groei, veel te duur. Onlangs kwam dan de bocht. Het is voor ­Cameron dat het woord flipflopper is uitgevonden.

In de aanloop naar het Brexit-referendum van 23 juni hebben we intussen elke overtreffende trap gehad. In het Brexit-kamp vergeleken ze de Europese leiders met Hitler, ze verspreidden het gerucht dat de helft van Syrië op het punt staat om via de Kanaaltunnel naar Engeland te kruipen en dat miljoenen Bulgaren de Britse gezondheidszorg zullen ontwrichten als het land in de Unie blijft. Ze sleurden er nog hun negentigjarige koningin bij, omdat die zogezegd ook uit Europa wil.

Daarnaast zijn er deftige denktanks en respectabele instituten die met cijfers aan de slag gaan en uitrekenen hoeveel een Brexit kosten zou. De voorspellingen lopen uiteen. Een enkel rapport ziet vooral voordelen, maar over het algemeen variëren de prognoses van gematigd tot dramatisch negatief. Ook achtenswaardige instituten zijn niet vies van krasse verklaringen. Het blijft allemaal moeilijk in te schatten omdat niemand weet hoe de financiële markten zullen reageren, hoeveel bedrijven zullen aarzelen om te investeren en of handelsstromen zich zullen verleggen. Het is in elk geval duidelijk dat er grote risico’s plakken aan een Brexit. Politici met beleidsverantwoordelijkheid willen niet in het ongewisse springen. Daarom doet ­Cameron zo zijn best om er de Britten van te overtuigen in de Unie te blijven. Een moeilijke klus, want jarenlang scoorde hij electoraal door te zeggen dat Europa voor niets deugde. Gefrustreerd stelt hij nu vast dat velen hem zijn gaan geloven.

Er staat wat op het spel in dit referendum. Tijdens een gewone verkiezing kan de kiezer zich nog een folietje permitteren. Als het tegenvalt, kan hij vijf jaar later weer voor wat anders kiezen. Maar met deze volksraadpleging is het anders: er komt geen tweede zit.

Toch is het de vraag waar het verschil zal zitten tussen leave en remain. De Brexit-liefhebbers denken dat hun eiland weer een zelfstandige natie kan worden. Ze dwalen. We gaan niet terug naar nederzettingen, stadsstaten of vorstendommen, en evenmin naar volkomen soevereine natiestaten. De geschiedenis stottert weleens, maar ze keert nooit op haar stappen terug. De wereld organiseert zich intussen in grotere blokken. Als de Britten voor de Brexit kiezen, dan zullen ze toch moeten praten met het vasteland. Wij zijn hun belangrijkste handelspartner. Gaan we de Britse bedrijven toegang geven tot onze markt en tegelijk aanvaarden dat ze zich niet meer aan onze regels houden? Gaan we de Britse universiteiten laten deelnemen aan de grote Europese onderzoeksprojecten zonder dat ze daar financieel toe bijdragen? Gaan we studenten uitwisselen, zonder dat zij daar mee voor betalen? Gaan we toelaten dat zij hun spullen exporteren naar groeimarkten in Oost-Europa, terwijl ze niet mee investeren in de grote infrastructuurwerken ginds? Gaan wij hard onderhandelen over handelsakkoorden met de rest van de wereld en Groot-Brittannië daar gratis van laten meeprofiteren?

De zevenentwintig andere lidstaten zijn naïef noch imbeciel. Er zijn allerlei varianten denkbaar, maar in essentie zal er met de Britten een deal gesloten worden die erg lijkt op de afspraken tussen de Unie en Noorwegen of Zwitserland. Op papier zijn dat geen lidstaten, maar in de praktijk zijn ze dat wel. Ze nemen haast alle regels automatisch over, ze dragen bij tot de Europese begroting en ze zijn zelfs lid van de Schengenzone. Dat overkwam hen niet per ongeluk – het is essentieel voor hun overleven.

Als het straks een Brexit wordt, dan rollen er in Groot-Brittannië koppen, en vooral die van de premier. Er zijn grenzen aan politieke acrobatie. Toch zal finaal de vraag blijven of het alle hysterie wel waard was. Er zullen ingewikkelde regelingen met de Unie worden getroffen, vol clausules en protocollen. Er zal kostbare politieke energie verspild worden, dat zeker. Maar de kans is groot dat de Britten in de Unie blijven, ook als ze eruit stappen.

Een bende drama queens

We zitten in de perfecte storm, legde N-VA-voorzitter Bart De Wever in De afspraak uit aan Ivan De Vadder. Veel zaken moeten op hetzelfde moment opgelost worden. De omstandigheden zitten tegen en de problemen zijn groter dan ooit. Frans Timmermans, vicevoorzitter van de Europese Commissie en van socialistische signatuur, had het eerder al gezegd, met dezelfde woorden.

Economen, met Nouriel Roubini op kop, waarschuwen al langer voor een perfecte storm. In 2013 zou die alles en iedereen wegvagen, zo orakelde Doctor Doom tot diep in 2012. We zouden het einde meemaken van het financiële en economische systeem zoals we het tot dan toe kenden. 2013 bleek uiteindelijk geen boerenjaar, maar apocalyptisch was het nog veel minder. Het weerhoudt er Roubini niet van om stormen te blijven voorspellen.

De metafoor maakt nu dus opgang in de politiek. Het is typisch voor stormen dat ze hoog in de atmosfeer ontstaan. We hebben daar geen grip op, ze overkomen ons. Wie de beeldspraak gebruikt, zegt meteen dat hij niks met de oorzaak te maken heeft. Al naargelang van het probleem, kan de oorsprong liggen bij vorige regeringen, de Conventie van Genève, de Grieken, Angela Merkel of Europa in het algemeen. Eigen verantwoordelijkheid speelt in geen geval.

Maar wat er ook de aanleiding toe is, de storm raast nu. Hij beukt tegen onze maatschappij. Drama en overdrijving droppelen binnen in het politieke debat. Dat is overal in Europa zo. In Groot-Brittannië vergeleek Boris Johnson, het boegbeeld van de Brexit-campagne, de Europese leiders met Adolf Hitler. Van de weeromstuit waarschuwde premier David Cameron, die het land in de Europese Unie wil houden, voor Wereldoorlog III. Alle perspectief is zoek.

Er zitten nogal wat drama queens onder de Europese politici. Ieder doet het in zijn stijl, maar gillen doen ze collectief. De vluchtelingen zijn het thema van het moment. ‘Oh my god! Dit kunnen we niet aan! Het land is vol! En – say what?! – er zitten al Berbers in de stad! Seriously!

Het terrorisme, de organisatie van justitie, de begroting op koers houden, de competitiviteit op niveau krijgen: elke uitdaging wordt voorgesteld als een tragedie zonder voorgaande. Als de situatie dramatisch is, dan moet de oplossing wel drastisch zijn. Maar dan rijden de beleidsverantwoordelijken zich vast. Want hoe organiseer je de schoonmaak van Molenbeek? Een begroting met overschot? Een ordentelijke gevangenis? Minimale dienstverlening bij elke staking? Dat is klaarblijkelijk allemaal niet eenvoudig, ook niet voor wie de verandering beloofde.

Intussen raakt de bevolking wel doordrongen van het idee dat we in zwaar weer zitten en voor ongeziene calamiteiten staan. Er zijn uitdagingen, daar is geen twijfel over. Maar waren die er vroeger niet? Zitten we nu in de perfecte storm, terwijl we de voorbije decennia alleen maar flauwe briesjes kenden? Zijn we de Bende van Nijvel vergeten? De CCC? De begrotings­tekorten van destijds? Betogingen van boeren of mijnwerkers? Piekende werkloosheid? Dutroux, zegt het iemand nog iets?

Tussen 1985 en 2001 vielen er in West-Europa veel meer terreurslachtoffers dan in de periode 2001 tot vandaag. De vluchtelingenstromen uit de Balkan waren groter dan die van tegenwoordig. Toch wordt paniekerig geïnsinueerd dat alles nu erger is, dat de atmosfeer veel woeliger is en dat we nooit eerder met zoveel miserie zijn geconfronteerd.

In de meeste opzichten hebben we het nochtans beter dan een paar decennia geleden. We leven langer, we wonen comfortabeler, we zijn beter geschoold, medische en andere wetenschappen gaan er met sprongen op vooruit, man en vrouw zijn meer gelijk dan ooit voorheen. We zijn vandaag steviger dan weleer gewapend om met complexe problemen om te gaan.

Toch zijn er overal politici die in een kramp schieten. Wie elke uitdaging als het onderdeel van een storm ziet, plaatst zich wel heel erg in het defensief. Angst en paniek worden alleen maar opgepookt. In Oostenrijk begonnen ze de Brennerpas al dicht te timmeren. Moet het dan verbazing wekken dat extreemrechts er nu de helft van de stemmen binnenrijft?

Als de storm wordt aangekondigd, dan doen mensen hun deur op slot, de luiken toe. Ze kruipen in een hoekje. De politieke vertaling daarvan heet bij ons Vlaams Belang. Geen wonder dat die partij flink vooruitgaat in de peilingen. Wie storm zaait, oogst radicaal rechts.

We missen Karel

Turken kunnen straks allicht zonder visum naar Europa. Ze moeten daarvoor voldoen aan 72 voorwaarden. Sommige zijn erg technisch, andere louter politiek: slechts volwaardige democratieën krijgen visumvrije toegang. In principe.

Maar het is een slecht moment om met principes af te komen. Iedereen weet dat Turkije de criteria niet vervult, maar zolang het land vluchtelingen de pas naar Europa afsnijdt, doen we voor het gemak alsof het ginds een democratisch paradijs is.

De Turken moeten nog een kleine inspanning doen, piepte de Commissie vorige week. De regering zou een woordje van voorzichtige kritiek op het regime niet moeten interpreteren als een daad van terrorisme. President Recep Erdogan liet terstond weten dat hij niet van plan is om de wetgeving aan te passen. Zijn immer glimlachende premier, die weleens luisterde naar Europese bekommernissen, werd dezelfde dag nog de steppe van Centraal-Anatolië ingestuurd.

De visumregeling moet nog worden goedgekeurd door een meerderheid van de lidstaten, maar die zullen er vermoedelijk allemaal mee instemmen. Alles liever dan vluchtelingen, is vandaag de leuze. Ook het Europees Parlement moet het licht op groen zetten. Daar is meer gemor te horen. Parlementsleden van de N-VA en Open VLD ventileerden vorige week hun ongenoegen in driftige persberichten. Guy Verhofstadt foeterde dat kritische journalisten in Turkije gemuilkorfd worden en dat hij in deze omstandigheden geen visumliberalisering wil. Bij de N-VA waren ze nog bozer: een corrupt land zonder vrije meningsuiting verdient geen visumvrijstelling.

Prima zo. Natuurlijk hebben ze gelijk. Maar of ze ook moeite zullen doen om er hun partijgenoten in de Belgische regering van te overtuigen om de deal te blokkeren, is een andere kwestie. En of ze straks, tijdens de stemming in het Europees Parlement even verbolgen zullen zijn als in hun persberichten, valt nog af te wachten. Maar het is al goed dat er althans in de communiqués nog vurige verdedigers zijn van de vrije meningsuiting.

Alhoewel. Europajournalist Rob Heirbaut twitterde fijntjes dat hij zich een stemming herinnerde uit december. Toen moest het Europees Parlement beslissen over visumvrijstelling voor de Verenigde Arabische Emiraten: een wezenlijk corrupt land, waar opposanten spoorloos verdwijnen of in het beste geval in de gevangenis belanden. Martelen is er gebruikelijk, rechters zijn niet onafhankelijk, vrouwen worden ernstig gediscrimineerd. Zegt Amnesty International. Resultaat van de stemming: een overweldigende meerderheid, met inbegrip van alle verkozenen van de N-VA en Open VLD, koos voor de afschaffing van de visumplicht. Geen enkel nijdig persbericht vonden we terug. Laat de sjeiks maar komen! Tot daar de definitie van rechtlijnigheid.

Vorige week verscheen een biografie van Karel Van Miert, samengesteld door historicus Bart Hellinck. Er wordt dikwijls gezegd dat Europa vandaag politieke leiders mist. Dat het vroeger allemaal beter was. Je moet daarmee oppassen, de helden van weleer werden in hun tijd ook niet altijd op handen gedragen. Maar Van Miert wel. Als partijvoorzitter stuwde hij de Vlaamse socialisten naar 28 procent, als Europees commissaris werd hij de machtigste man van Europa genoemd. Het was het tijdperk van Helmut Kohl, François Mitterrand en Jacques Delors, dus het is niet dat er geen concurrentie was.

Van Miert was niet de man van de grote dogma’s. Als socialist had hij er weinig problemen mee dat Europa een supermarkt werd. Als vrijhandel groei en banen bracht, was het niet nodig om dat in naam van het socialisme mordicus te blokkeren. Maar op de eengemaakte markt golden er wel regels en die moesten worden gerespecteerd. Bernie Ecclestone, Boeing, Bertelsmann: allemaal kregen ze miserie met Van Miert omdat ze fundamentele afspraken aan hun laars lapten.

Uit de biografie blijkt hoe Van Miert zijn gevechten uitkoos. Hij maakte zich boos, goot er een scheut drama over en bracht rock-’n-roll in de debatten. Hij bracht politiek bij de mensen, door te zeggen waarop het stond, niet door dronken op een podium te staan tijdens een televisiefeest. Hij kon zich die oprechte felheid permitteren omdat hij dossierkennis had en bovenal omdat hij consequent en koppig bleef tot het einde. Dat gaf hem geloofwaardigheid.

Maar hoe authentiek is het nu om in naam van de mensenrechten kolerig te worden over een visumdeal met Turkije, als je een halfjaar geleden instemde met een visumvrijstelling voor de Verenigde Arabische Emiraten?

In 2009 werd Van Miert gevonden in zijn boomgaard, onder aan de ladder. Zijn dood kwam veel te vroeg. Hij had in de huidige omstandigheden zijn stem nog moeten verheffen. Hij kon mensen wakker schudden, in alle partijen. Het Europadebat van vandaag mist zijn scherpte, zijn inzicht, zijn doorzicht, zijn verontwaardiging en zijn klasse. En in elk geval zijn rechtlijnigheid.